'Het vuurstenen mes was na een uur al bot'

De wetenschappelijke betekenis van prehistorische leef-experimenten mag gering zijn, het zijn toch waardevolle aanvullingen op traditioneel onderzoek.

Gedurende twee maancycli, bijna negen weken, voerde Anneke Boonstra, directrice van het Prehistorisch Openlucht Museum in Eindhoven, met vier medewerkers een prehistorisch leefexperiment uit in een van de nagebouwde boerderijen op het terrein van het museum. Achter een schutting van gestapelde houtblokken zonderden ze zich zo goed en zo kwaad als dat ging af van de twintigste eeuw om zich in te kunnen leven in het dagelijkse bestaan van een boerenfamilie uit de ijzertijd. Om het inlevingsvermogen verder te stimuleren hadden ze prehistorische namen aangenomen als Thay, Tamme en Sigur. De Franse archeoloog die korte tijd deelnam aan het experiment werd aangeduid als 'de Galliër'.

Boonstra: 'Het was een spel dat we zo echt mogelijk probeerden te spelen.' Direct na afloop van dat spel zei ze al dat het geen wetenschappelijk experiment genoemd kon worden. Dat is ook de mening van Gerard IJzereef, directeur van het archeologisch themapark Archeon in Alphen aan den Rijn en bijzonder hoogleraar Experimentele Archeologie en Educatie aan de Universiteit van Amsterdam. 'Een reconstructie van het leven in de prehistorie is een utopie', zegt hij. 'Zo'n leefexperiment zegt meer over de mensen van nu dan over die van vroeger en het is dan ook gevaarlijk om op basis van dit experiment uitspraken te doen over het verleden. Zo'n leefexperiment is misschien wel aardig, maar het heeft meer met educatie dan met wetenschap te maken.'

Giswerk

In de experimentele archeologie gaat het er om handelingen of processen uit het verleden opnieuw te doen plaatsvinden, gebruikmakend van zoveel mogelijk gegevens uit opgravingen en andere bronnen. Theorieën kunnen in de experimenten worden getoetst aan de praktijk. Zo zijn in Nederland op verschillende plaatsen, waaronder Eindhoven en het Archeon, boerderijen uit steen-, brons- en ijzertijd nagebouwd op basis van opgegraven funderingsresten. De bouw kan echter op vele manieren gebeuren en het blijft steeds giswerk. Door verschillende constructies naast elkaar te gebruiken wordt gekeken welke bouwmethode het beste bestand blijkt tegen weer en wind. De gedachte is dat de constructie die het langste stand houdt, de waarheid het dichtste zal benaderen, ervan uitgaande dat ook de prehistorische mens door schade en schande wijs werd.

Proeven met landbouwmethoden horen ook tot het vakgebied. IJzereef: 'In Engeland doet men al 25 jaar op dezelfde percelen agrarische proeven met vaste hoeveelheden graan om de opbrengsten te meten. Een opmerkelijk resultaat daarvan is dat de opbrengsten veel hoger blijken dan de oogsten die bekend zijn uit de middeleeuwen. Waarschijnlijk heeft dat te maken met het middeleeuwse horigen-systeem, dat boeren die een deel van hun oogst moesten afstaan ertoe bracht lagere opbrengsten op te geven dan ze in werkelijkheid hadden.'

In een ander experiment werden verschillende technieken voor het maaien van graan uitgeprobeerd. 'Daaruit bleek dat een vuurstenen mes binnen een uur alweer bot is, waarna het veel tijd en vakmanschap vergt om het weer scherp te krijgen. Met een ijzeren sikkel gaat het veel beter.'

De simpelste experimenten leveren veelal de beste resultaten op, zo leert de praktijk. 'Een schouderblad van een rund is door zijn vorm geschikt om te scheppen. Maar het zou ook als peddel gebruikt kunnen zijn in een kano. Een proef waarbij zo'n schouderblad als schep werd gebruikt, gaf uitsluitsel: het gebruikte blad vertoonde precies dezelfde slijt- en glanssporen als verschillende opgegraven exemplaren', vertelt IJzereef. Een onomstotelijk bewijs is zoiets niet en dat is volgens hem een ander kenmerk van de experimentele archeologie: 'Je kunt er nooit voor 100 procent mee bewijzen dat iets zo is geweest, maar je kunt er vaak wel 90 procent van de mogelijkheden mee uitsluiten.'

De onmogelijkheid definitieve conclusies te trekken is het belangrijkste argument van tegenstanders van de experimentele archeologie. Maar over het algemeen worden de experimenten als aardige aanvullingen gezien op het traditionele archeologische werk. 'Zo'n leefexperiment helpt je niet meteen verder, maar het verbreedt wel je referentiekader', zegt Otto Harsema, die bij het Biologisch Archeologisch Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen onderzoek doet naar het dieet van de prehistorische mens. Dat onderzoek moet leiden tot conclusies over het landbouwareaal dat een prehistorische familie nodig had om te overleven. Het project in Eindhoven bood hem een kans zijn theorieën over de benodigde hoeveelheden voedsel te toetsen aan de praktijk. Alles wat daar uitkomt beschouwt hij als meegenomen. 'Iedereen die dit twee maanden doet, komt met opmerkingen of ervaringen die iets bijdragen aan je kennis over het onderwerp. Er komt altijd wat uit, al zijn het maar nieuwe vragen die je je nog niet had gesteld.'

Pastinaak

Het menu van de Eindhovense groep bestond uit graan, bonen, gierst, erwten, ingekuilde groenten zoals pastinaak, melk, kaas en vlees. Conclusies over de hoeveelheden zijn niet meteen te trekken, omdat twee buitenlandse deelnemers, een Belgische antropoloog en de Fransman, korter bleven dan gepland. Wat wel kon worden vastgesteld is dat het plan om 's middags warm te eten niet uitvoerbaar bleek. Het bereiden van een maaltijd in een aardewerken pot op een houtvuur kostte vrijwel de hele dag. De dag werd begonnen met pap die een bereidingstijd van een uur nodig had. 's Middags werd brood gegeten dat eens in de zeven dagen werd gebakken.

De proef leverde een verbetering op in de manier waarop het graan voor het brood werd gemalen. Bij demonstraties in het museum werd de bovenste maalsteen altijd met een kort stokje over de onderste gedraaid. Boonstra: 'Maar daar kreeg je gauw blaren van. Daarom zijn we een langere stok gaan gebruiken. Ook hebben we ontdekt dat je langzaam moet draaien en een patroon moet volgen van vijf slagen de ene kant op en dan zes slagen de andere kant op. Uiteindelijk kostte het malen drie keer zo weinig tijd als in het begin. Zoiets ontdek je alleen maar als je het een langere periode achter elkaar moet doen. Ik weet zeker dat mensen in de prehistorie dat ook zo hebben ontdekt, want ook toen was men steeds bezig om vooruit te komen.'

IJzeroer

Voor Gerard IJzereef is zo'n constatering zeker de moeite waard, maar hij zou de proef het liefst met de weegschaal ernaast herhaald zien voor meer wetenschappelijke conclusies. Maar Boonstra zegt: 'Wij doen het misschien niet zoals de wetenschappers vinden dat het moet. Maar wij zijn mensen van de praktijk en we komen ook tot resultaten. Wij proberen net zo goed als de gevestigde wetenschappers het leven in de ijzertijd te ontrafelen, alleen gaan wij uit van het beheersen van de techniek. Er is bijvoorbeeld een Tsjechische archeoloog, Radomir Pleiner, die al jarenlang in het laboratorium proeven doet met het winnen van ijzer uit ijzeroer. Onder gecontroleerde omstandigheden probeert hij er achter te komen hoe groot de ovens waren die destijds werden gebruikt. Wij zeggen dan: geen kunst, in zo'n laboratorium weet je precies wat er in die ovens gebeurt. Maar wij doen het alleen met de spullen die er toen ook waren. En daarmee kwamen we na een jaar of zes experimenteren ook tot goede resultaten. We konden nu tijdens het leefexperiment een wolf, een klomp ruwe ijzer, van 12 kilo maken.'

Hoe een experiment ook wordt uitgevoerd, om enige waarde te hebben voor de wetenschap moet het worden beschreven. Juist daarin schieten de praktijkmensen, in de regel amateurs, nog wel eens tekort. 'Het liefste was ik helemaal in het experiment opgegaan', zegt ook Boonstra, die een dagboek bijhield en foto's maakte voor een later dit jaar te verschijnen populair wetenschappelijke uitgave over het ijzertijd-project. 'Het is moeilijk om telkens om te schakelen van deelnemer naar waarnemer. Het is makkelijker alleen maar waarnemer te zijn. Ik kan me voorstellen dat je bij zo'n experiment naast de praktijkmensen een wetenschapper zet die zelf niet meedoet maar alleen waarneemt en beschrijft. Mij zou dat niet storen.'