Georgische muiters op een tandem

J.A.C. Bartels en W. Kalkman, 'Texel. Nederlands laatste slagveld' (1980). D. van Reeuwijk, 'Sondermeldung Texel. Opstand der Georgiërs' (1981/1995)

“Vandaag maken we het oorlogsnieuws zelf”, riep de Texelaar J. Duinker op 6 april 1945 door de straten van het Texelse dorp Den Burg. Behangen met geweren en patroonbanden fietsten de buurtjongens over straat. Ze gingen de 'Russen' helpen.

De opstand Denj Rozjdenija (Dag van de Geboorte) was begonnen, de laatste veldslag op Nederlands grondgebied.

's Nachts om 1 uur hadden de ongeveer 800 Georgiërs van het op Texel gelegerde 822ste Wehrmacht-infanteriebataljon vrijwel al hun Duitse 'strijdmakkers' in hun slaap vermoord - 180 in totaal. Vervolgens probeerden de Georgiërs, in '43 als krijgsgevangenen uit het Rode Leger geronseld voor het Duitse leger, zo snel mogelijk de strategische kustbatterijen op het eiland in handen te krijgen.

“We zullen oprukken naar Amsterdam”, had een van de opstandelingenleiders, E. Artemidze, al eerder beloofd aan de aarzelende Texelse ondergrondse. De verzetsleiders raadden de opstand af. Waarom mensenlevens wagen als de Canadezen toch al bijna voor de deur stonden? Maar de Georgiërs hadden weinig keus. Als dragers van het Duitse uniform moesten zij zich op de een of andere manier rehabiliteren in de ogen van Stalin. Anders zouden zij na de oorlog zeker worden beschouwd als verraders en zwaar worden gestraft.

Het 822ste bataljon werd in 1943 overgeplaatst uit Polen, via Frankrijk, naar Zandvoort. Zowel in Frankrijk als in Zandvoort hadden de Georgiërs al contacten gelegd met de (communistische) ondergrondse. In februari '45 kwamen ze naar Texel. “Wilde knapen”, noemde de plaatselijke dokter hen later. “Ze kwamen over als intellectuelen”, zegt de Texelse oud-verzetsman H. Snoek, “zeker voor boerenjongens als wij.” Het oude plan was een opstand op 1 mei. De 'Dag der Geboorte' werd vervroegd, toen bleek dat op 6 april een groot deel van het bataljon zou worden overgeplaatst om ingezet te worden tegen de Canadezen.

Slechts een paar Nederlanders werden van tevoren gewaarschuwd. “Maar we geloofden niet dat het direct zo menens zou worden”, herinnert Snoek zich. De meeste Texelaars dachten aanvankelijk dat de geweerschoten en het geschreeuw afkomstig waren van een oefening. Totdat plotseling twee zwaarbewapende Georgiërs op een tandem door de straten kwamen fietsen, luid roepend: “Du bist frei, alle moffen kaput”, zoals in het dorpje De Waal gebeurde.

Wat het begin van de vrede had moeten worden, bracht op Texel plotseling oorlogsgeweld - na vijf weinig opmerkelijke bezettingsjaren. Het werd een wekenlange strijd. Vrijwel geen boerderij bleef onbeschadigd. Den Burg werd zwaar getroffen door granaten. De enthousiaste Duinker kwam nog dezelfde dag om in de zware strijd tussen muiters en Wehrmacht. In een paar weken tijd sneuvelden op Texel meer dan duizend mensen: ongeveer honderd Nederlandse burgers, zo'n vijfhonderd Georgiërs en ongeveer evenveel Duitse soldaten.

Toen de opstand eenmaal een feit was, besloten de Texelse Binnenlandse Strijdkrachten (BS) tot zo groot mogelijke steun aan de 'Georgische helden'. Maar het pleit was al op de zelfde dag beslecht. De Georgische muiters kregen de kustbatterijen niet in handen. Om een uur of negen verzamelden zich bij het Georgische hoofdkwartier Texla, bij Den Burg, zo'n tweehonderd Texelse mannen, daartoe opgeroepen in aanplakbiljetten van de BS. De opstandelingenleider Schalwa Loladze hield een toespraak in het Georgisch, die door een andere officier werd vertaald in het Duits: “Een terug is niet meer mogelijk. Texel is vrij. Leve Holland, Leve Rusland!”

Kort daarna vielen op Texla de eerste Duitse artilleriegranaten, uit Den Helder en van de kustbatterijen op Texel. De meeste Texelaars vluchtten snel naar huis, met toestemming van de ondergrondse. “Toen wist ik: het is bekeken”, zegt Snoek. “Maar hoe had het anders gemoeten? Zelfs als ze alle Duitsers op het eiland hadden gedood, waren er altijd nog de kanonnen op Den Helder geweest.” De Duitsers lieten 's morgens al versterkingen uit Den Helder aanrukken. Dezelfde dag nog werd Texla ontruimd en trokken de Georgiërs zich langzaam terug naar het noorden van het eiland.

Het duurde tot 22 april totdat de vaak doodsbenauwde Duitsers alle Georgische verzetshaarden vernietigd hadden. Aan beide kanten werden gevangenen zonder pardon doodgeschoten. Texelaars die de Georgiërs hielpen met een schuilplaats of voedsel werden standrechtelijk geëxecuteerd. Toch wisten bijna 250 zwaarbewapende Georgiërs de oorlog te overleven door zich met hulp van de bevolking schuil te houden - in de bossen, in schuren, in greppels - vervolgd in uitvoerige razzia's door de Duitsers.

Van de geallieerden kregen de Georgiërs geen hulp, ondanks smeekbedes van het Texelse verzet. De soldaten van het 822ste bataljon werden als muitende Duitsers beschouwd. En prins Bernhard, opperbevelhebber van de BS, wilde de onderhandelingen met de Duitsers over de voedselhulp aan de hongerende Randstad niet verstoren. Pas op 20 mei betraden de Canadezen het eiland. Na de Duitse capitulatie op 5 mei had de BS een ongemakkelijk evenwicht weten te bewaren tussen de officieel nog bevoegde Duitse troepen en de op wraak beluste Georgiërs.

Op 17 juni vertrokken de Georgiërs naar huis, gestoken in geallieerde uniformkleding en voorzien van aanbevelingsbrieven van het Nederlandse verzet en de Canadese legerleiding. Die brieven hebben geholpen. Voor zover bekend hebben verreweg de meesten, soms na een paar jaar gevangenschap, hun gewone leven in Georgië weer kunnen oppakken.

Contact tussen Georgië en Texel kwam pas eind jaren zeventig goed op gang. De autoriteiten hadden contact over het ijzeren gordijn zoveel mogelijk tegengehouden en op Texel wilde men lange tijd, in de woorden van Snoek, “liever niet meer praten over een voetbalwedstrijd die we met 7-0 hadden verloren”.