De wig tussen klein en groot

NIJEMIRDUM. Het is half acht 's ochtends en de schapen blaten. Langzaam komt een rode zon op boven de nevelige kliffen van het IJsselmeer. Ik rijd met Frans Gerritsma mee, op zijn dagelijkse ronde door het stille Gaasterlandse landschap. Achterin de auto wonen Sunny Boy, Buster, Jabot en La Belle, verpakt in tientallen dunne rietjes, in een koeltank met vloeibare stikstof, 200 graden onder nul. Frans is één van de vijf en zestig inseminatoren van het Fries Rundvee Syndicaat, samen goed voor de bevruchting van zo'n vierhonderdduizend koeien per jaar. Rietje uitzoeken, ontdooien, inseminatiespuit verwarmen, handschoenen aantrekken, de stal in, kaart pakken, koe zoeken, ene arm in de kont, met de spuit de baarmoederhals zoeken - de koe kromt nu de rug, kijkt niet-begrijpend voor zich -, spuiten, gegevens in de mini-computer tikken, en dat zo'n vijf en dertig keer per dag, nu al een en twintig jaar lang. “Antje 47”, mompelt Frans. “Lastig dier.” Antje dendert door de loopstal, snuivend, glibberend op de gladde betonvloer. Met moeite weet hij haar klem te zetten in een hoek. “Ik weet nu al dat ik terug moet komen. Een bevruchting wordt niets als zo'n beest vol adrenaline zit.”

In de stallen zoemen de pompen van de melkput, de hekken ratelen en overal hangt het ondefineerbare aroma van verse melk, vermengd met hooi en een vleugje mest. We treffen de man van de melktankauto, ook op zijn ronde. Het gesprek van de dag gaat over het plan om in deze streek ruim vijfhonderd hectare landbouwgrond om te zetten in natuurgebied. “Het is geen natuur, het is alleen maar verwaarlozing”, roept de boer schamper. “En wat is natuur? Mijn overgrootvader was hier al boer, en zijn vader, en zijn vader. Hier is zolang mensen zich herinneren al boerenland geweest.” Het vee staat dampend te eten. Een trekker met voer rijdt langzaam over het middenpad van de ligboxstal. Door de ramen valt het ochtendlicht in brede strepen. Maar de stal is lang niet meer vol, en zo is het bijna overal.

“Vroeger zat ik altijd bij mijn oom op een bankje in de stal”, vertelt Frans Gerritsma onder het rijden. “Ik vond het allemaal even prachtig. Het melken, het voeren, het kalveren, het gebeurde met een soort koestering. Mijn oom molk zo'n dertig koeien, en daar had hij een goed bestaan mee. Nu redden alleen de sterkste en meest zakelijke boeren het nog. Het gaat nu om vetgehaltes en eiwitten, met percentages tot ver achter de komma, en zo beginnen de mensen ook te denken. In nog geen vijf en twintig jaar tijd is het hier helemaal verzakelijkt. Het gaat nu op het scherp van de snede, ook bij de boeren.”

We passeren een campingboerderij. “Hier wordt niet meer geboerd.” Even verderop hebben ze in de stal een palingmesterij aangelegd. “Bij die boer daar kweken ze witlof. En daar aan de overkant lag de boer lag vorig jaar opeens dood tussen zijn koeien.” Alleen al in het gebied waar Frans Gerritsma dagelijkse zijn ronde doet zijn de afgelopen paar jaar ruim zeventig boeren gestopt, kleintjes maar ook vrij grote. Dat proces van stille sanering is sterk gestimuleerd doordat vanaf 1982 het melkquotum - het recht om een bepaalde hoeveelheid melk te leveren - geld waard werd. Wie een quotum van vierhonderdduizend liter heeft kan daar gemakkelijk anderhalf miljoen gulden of meer voor krijgen. Voor veel boeren die onder de schulden zitten en die geen opvolger hebben wordt de verleiding zo steeds groter om zich te laten uitkopen. De overheid begint bovendien de laatste tijd steeds meer investeringen te eisen die de boer zelf geen cent opleveren - mestsilo's en dergelijke. En zo'n extra uitgaaf geeft dan vaak de laatste duw om ermee te stoppen.

Frans: “De kleinere boeren worden opgejaagd door hun schulden. Hun kinderen komen thuis van de landbouwschool: 'Heit, we moeten quotom kopen, anders is 't niet best.' Zo begint vaak de gang naar de bank.” De grotere boeren worden opgejaagd door de belastingen. Als je goed geboerd hebt moét je investeren, anders betaal je veel te veel belasting. Daarom drijven de grote boeren de prijs van het melkquotum nog verder op en zetten ze hun stallen vol met de meest moderne machinerie: ze moeten toch ergens heen met hun geld. Zo wordt er tussen de grotere en de kleinere boeren een wig gedreven die steeds dieper gaat.

Frans Gerritsma vertelt over zijn oom, die altijd dezelfde mensen op het erf had: dezelfde veehandelaar, dezelfde smid en dezelfde veevoederfabriek. Het was een vertrouwensrelatie tussen vaste klanten en vaste leveranciers. Bij het familielid dat de boerderij heeft overgenomen lopen voortdurend nieuwe mensen rond: hij let allereerst op de prijs, hij calculeert scherp, speelt ze soms tegen elkaar uit. De cultuur van vertrouwen is vervangen door de cultuur van zakelijkheid.

Frans: “Veel stallen hebben nu computer-registratiesystemen, en dat maakt het mogelijk om alles haarscherp te plannen: de hoeveelheid voer per koe, de melkafgifte, alles. Een koe kan best twintig worden, maar tegenwoordig wordt de gemiddelde koe niet ouder dan vier jaar en drie maanden. Dat is een gemiddelde: er zijn koeien die zes of acht jaar doorgaan, maar er zijn er ook heel wat die al veel eerder opgeruimd worden; de melkgift valt tegen, ze krijgen een miskraam, breken een poot, weg ermee. Boeren met gevoel voor dieren hebben het zwaar.”

Thuis drinken we koffie. Frans Gerritsma koppelt zijn zakcomputer aan de telefoonlijn van de centrale. “In Leeuwarden weten ze nu precies hoe laat ik vanochtend bij welke boer was. Ze hebben daar alle gegevens over alle koeien en stieren, maar in het spoor daarvan weten ze ook exact wat wij doen. Onze resultaten zijn tot op de tiende van procenten bekend. Bij mij ligt dat wel goed, maar bij collega's die het niet zo goed doen kan zo'n uitdraai aardig stress-verhogend werken.” De printer begint te ratelen: de nieuwe rol opdrachten voor de middag.

We belanden bij een oude kromgewerkte boer die nog zowat alles met de hand doet. We komen in een klassieke stal terecht waar alles blinkend schoon is, het stro geel en overvloedig, het vee glanzend. We moeten hier en daar van laarzen wisselen - er zijn zelfs al desinfectiesluizen - want de koeien worden te kwetsbaar voor ziektes. We staan in een enorme ligboxstal met Amerikaanse hoeveelheden vee, alles volautomatisch. We treffen een team van één of ander landbouwblad dat al een halve middag bezig is om twee koeien klaar te maken voor een foto: ze zijn gedouched met speciale veeshampoo, de uiers zijn donkerder gemaakt met rouge, de zwarte plekken zijn bijgekleurd met verfspray, de witte met bloem en nu worden nog de laatste plukjes haar weggeschoren.

De zon schijnt. Een vrouw hangt winterkleren over een waslijn. “Wat nu, de meitijd al in het hoofd?” roept Frans. Boven het land kwetteren de vogels. Op de mestvaalt ligt een dood, pasgeboren kalf.