De visstofzuigers

Met geavanceerde elektronica sporen moderne vissersschepen actief de visscholen op. Supertrawlers van 120 meter vangen de laatste visjes weg. De eigenaars opereren wereldwijd en storen zich niet aan nationale marktbeperkingen.

Sinds de dagen van Kniertje is de visserswereld onherkenbaar veranderd. Vergeelde foto's van rond de eeuwwisseling tonen kleine houten zeilschepen. Bomschuiten en haringloggers, botters en schokkers. Onveiligheid was troef, menig visserman sloeg overboord. Om de vangst aan wal te halen waren heel wat handen en handjes nodig. Zodra de vloot de haven binnenliep stroomde de dorpsschool leeg.

De eerste stoomtrawlers kwamen rond de eeuwwisseling in de vaart en stoommachines bleven tot 1960 in zwang. Tot aan de Tweede Wereldoorlog waren de vissersboten niet langer dan zo'n 20 tot 25 meter, op het IJsselmeer werd tot na de oorlog nog met zeilbotters gevist.

Tegenwoordig staat op de brug van een vissersschip meer geavanceerde elektronica dan op een koopvaardijschip en de meeste marineschepen. De grootste trawlers zijn uitgegroeid tot complete drijvende diepvriesfabrieken, meer dan honderd meter lang. De nieuwste satellietnavigatietechnieken helpen de kapitein om zijn positie op zee tot op luttele meters nauwkeurig te bepalen en met behulp van multi-beam-sonar worden de scholen vis in de wijde omtrek trefzeker opgespoord om vervolgens te verdwijnen in volledig computergestuurde netten die tot 200 meter wijd en wel 50 meter hoog kunnen zijn - daar is geen ontsnappen meer aan.

Langzaam maar zeker dreigt de visserij aan zijn eigen succes ten onder te gaan. Volgens de jongste cijfers van de FAO speelt de overbevissing wereldwijd. Zeventig procent van alle vissoorten op aarde wordt bedreigd.

'Overbevissing is van alle tijden', zegt ir. Frans A. Veenstra van het Rijksinstituut voor Visserijonderzoek (RIVO-DLO) in IJmuiden. 'Perioden met weinig vis zien we door de hele historie heen terugkomen. Rond de eeuwwisseling was er al een tijdlang bijna geen haring in de zee, en de Hoekse en Kabeljauwse twisten gaan nog veel verder terug. Je ziet steeds hetzelfde patroon. Eerst is er heel veel vis in de zee. Daarna komen er steeds meer schepen. Dat leidt tot overbevissing en daarna neemt het aantal schepen weer af. Het verschil is alleen, dat we nu met high tech werken en met veel minder schepen varen. Vroeger was het puur een kwestie van vakmanschap, waarbij familiegeheimen - wáár je moest vissen en hoe je moest vissen - van vader op zoon werden overgedragen.'

Als hoofd van de 23 man sterke afdeling Techniek en Technologie van het RIVO is Veenstra nauw betrokken bij het onderzoek naar nieuwe methoden om selectiever te vissen, met minder bijvangst en dus minder verspilling. Een sprekend voorbeeld daarvan is het discovissen, een nieuwe techniek voor de boomkorvisserij op bodemvissen als kabeljauw en schol. Hierbij worden de dieren, die in het zand verscholen zitten, niet zoals gebruikelijk met zware kettingen uit het zand opgeschrikt en in de sleepnetten gejaagd, maar met licht- en geluidsprikkels. 'Jonge, ondermaatse vis is daar minder gevoelig voor en schrikt dus niet zo snel uit het zand op', legt Veenstra uit. 'Zo kun je selectiever vissen.'

Al eeuwen valt de Nederlandse zeevisserij uiteen in twee verschillende takken, de 'Grootvisscherij' en de kleine of kustvisserij, elk met hun eigen tradities. Belangrijke vissoorten als haring, kabeljauw en schelvis zwemmen grote delen van het jaar ver van de Nederlandse kust en daarom moesten de vissers van oudsher verre reizen maken. Al in de zestiende eeuw voer men in juni naar de Schotse kust om daar haring te vangen. Schelvis en kabeljauw ving men in de winter op de Doggersbank en onder IJsland. Hiervoor waren flinke schepen nodig, meestal eigendom van grote reders die verschillende schepen exploiteerden, vaak in combinatie met import en export van vis.

Tot de kleine of kustvisserij horen alle andere activiteiten: de Zeeuwse mossel- en oestervisserij, de Zuiderzee- en Waddenvisserij en de kleinschalige kustvisserij met platboomschepen op bot, schol, tong en garnalen. Hier was de schipper meestal tevens eigenaar en zijn bemanning bestond doorgaans uit niet meer dan een of twee familieleden of dorpsgenoten.

In de moderne zeevisserij bestaat dat onderscheid nog steeds. De boomkorvisserij op bodemvis als schol en kabeljauw is in handen van familiebedrijven, terwijl de pelagische of diepzeevisserij met trawlers op vissen die in scholen zwemmen, zoals haring en makreel, het terrein van de grote reders is.

De boomkorvisserij speelt zich af op de Noordzee. Een boomkorschip is zo'n 40 meter lang, met een motorvermogen van zo'n 2000 pk, en laat zijn netten aan weerszijden van het schip zo'n 12 meter breed over de zeebodem slepen. Vlak voor het net worden kettingen over de zeebodem gesleept om de vis te 'stimuleren': de vis schrikt op uit het zand en wordt in het net geschept. De boomkorvisserij is weekvisserij - op maandag vaart de kotter uit en op vrijdag of zaterdag is men weer thuis. Er wordt verse platvis aan wal gebracht, voor zo'n 50 tot 80.000 gulden per vaart, als daarvoor genoeg quotum is. Meestal vist men in maatschap met een man of zes, zeven aan boord. Voor de vangst geldt een veilplicht op de visafslag.

'De boomkorvisserij stamt uit de jaren vijftig', vertelt Veenstra. 'De eerste van deze schepen waren niet stabiel genoeg, er sloegen er veel om, waarbij heel wat mensen verdronken. Sinds de jaren zestig is de boomkorvloot geleidelijk gegroeid. Met EG steun werden heel wat oude schepen gesaneerd en door grotere, veiliger schepen vervangen.' Deze lijn zette zich voort tot de overbevissing in de jaren tachtig zo'n omvang nam, dat in 1988 werd besloten dat het motor vermogen voortaan niet groter dan 2000 pk mocht zijn, terwijl ook de netten aan een maximumomvang gebonden werden. De Nederlandse boomkorvloot telt nu nog 300 tot 350 schepen.

De pelagische of diepzeevisserij op scholen haring, makreel, horsmakreel en wijting wordt bedreven door trawlers, die hun gesleepte netten over het achterdek door het water trekken. Tien tot twaalf van zulke trawlers, elk met zo'n dertig man aan boord, varen onder Nederlandse vlag. Ze zijn eigendom van een vijftal reders, die vangst, marketing en handel in eigen hand hebben en samenwerken in de Dutch Seafrozen Fish Foundation 'The Group' b.v., die werd opgericht na het sluiten van de haringvangst op de Noordzee in 1976.

De trawlers vissen op de Noordzee, maar ook in het Kanaal en ten westen van Ierland. Ze zijn tot bij Newfoundland en de Falklandeilanden actief. Ze blijven net zo lang op zee tot hun visruim helemaal vol is, gemiddeld drie tot vier weken. Per dag wordt zo'n 250 ton vis verwerkt en in totaal kan zo'n 2000 tot 4000 ton vis worden opgeslagen. De vis wordt in kartonnen dozen van 25 kilo diepgevroren en gaat, eenmaal aan wal, niet over de visafslag, maar in vrieshuizen. Daarna wordt hij door grote bedrijven als Vrolijk en Jaczon ontdooid en verwerkt.

Wereldwijd zijn nieuwe afzetmarkten aangeboord, in Afrika, het Midden en Verre Oosten en in Zuid-Amerika. Tot begin jaren tachtig waren deze schepen zo'n vijftig meter lang. De afgelopen tien jaar zijn ze uitgegroeid tot zo'n 110 of 120 meter. Ze vissen met netten met een netopening van 100 tot 200 meter breed en wel 50 meter hoog. 'Men joeg elkaar op,' aldus Veenstra. 'Omdat de rederij gekoppeld is aan de internationale handel, konden deze schepen gaan groeien. Het zijn nu naast vissersschepen complete drijvende diepvriesfabrieken geworden, die hun bevroren lading bijvoorbeeld in Afrika afgeven, ze opereren wereldwijd. Als je die vis hier op de visafslag moest aanbieden, redde je dat nooit. Het is alleen maar rendabel omdat je bij die pelagische visserij vangst, marketing en handel in één hand houdt. Maar inmiddels is de groei eruit door de wereldwijde overbevissing en ook nieuwe visopsporingstechnieken om nòg meer te vangen bieden geen soelaas meer.'

De moderne visser vaart niet louter op hoop van zegen. Tot zijn belangrijkste bondgenoten behoort de radar, die al uit de jaren dertig stamt, en in de oorlog een snelle ontwikkeling doormaakte. Vanaf de jaren vijftig verschenen radartechnieken op de vissersschepen. Zo kan de visser zijn positie beter bepalen en nauwkeuriger navigeren.

Ook de Decca-plotter deed zijn intrede, een grote papierrol waarop de gevaren koers werd uitgezet. Als de vaart succesvol was, wil de visser het liefst de volgende maandag weer exact dezelfde route volgen. Die deccarol nam men - als kostbaar familiegeheim - in het weekeind mee van boord en borg hem thuis veilig op. Tegenwoordig staat de hele vaarroute op diskette. Aan boord is een geautomatiseerde trackplotter, een navigatie-instrument dat op kleurenbeeldscherm zeekaarten kan weergeven. Via het toetsenbord kan precies de gewenste koers worden ingebracht en op het scherm valt dan het verschil tussen de gewenste koers en de actuele koers te zien. De programmering van de trackplotter behoort nog steeds tot de best bewaarde bedrijfsgeheimen.

Een keerpunt in de geschiedenis van de Nederlandse visserijtechniek was het afsluiten van de Zuiderzee. Nog rond de eeuwwisseling was de Zuiderzee net zo belangrijk voor de visserij als de Noordzee. De Afsluitdijk maakte in 1932 duizenden vissers brodeloos, en op den duur leidde de IJsselmeervisserij tot overbevissing. De Urker vissers legden het hoofd daarna niet in de schoot, maar verplaatsten hun activiteiten van de binnenwateren naar de Noordzee. Daar lag voor hen - anders dan voor Scheveningen, Katwijk, IJmuiden en Den Helder - geen traditie. Van huis uit kenden de Urkers op de Noordzee de beste visgronden niet, en dus moesten ze wel een beroep doen op de nieuwste hulpmiddelen voor plaatsbepaling en navigatie om hun visbestekken te vinden.

In de jaren tachtig zijn plaatsbepalingssystemen en satellietnavigatie, oorspronkelijk afkomstig uit de oorlogsindustrie, beschikbaar gekomen voor de visserij. Elke visser heeft nu een DGPS-systeem zoals dat in de Golfoorlog door het Amerikaanse leger werd gebruikt. Daarmee kan hij zich tot op vijf of tien meter nauwkeurig positioneren, dankzij het feit dat er inmiddels genoeg satellieten om de aarde draaien. Men durft nu te komen op plaatsen waar men zich vroeger nooit waagde uit angst de netten te beschadigen. Op de Noordzeebodem wemelt het namelijk van de obstakels. Wrakken, pijpleidingen, stenige gedeelten, off-shore constructies, de gevaren liggen voor het oprapen. In andere gebieden zouden de netten teveel verstrikt raken in het zeegras, of is de bodem te slap en te slikkig zodat de netten daar wegzakken. Het Rijksinstituut voor Visserijonderzoek in IJmuiden is bezig uit te zoeken waar deze stiltegebieden op de Noordzee zich van oudsher bevinden. Een deel van die gebieden - zo'n 10 tot 20 procent van de Noordzee - kan men nu wel bereiken, omdat men met de nieuwe plaatsbepalingstechnieken nauwkeuriger kan navigeren en de stenen ontwijken. Als een net scheurt, verliest men niet alleen de vangst, maar ook het ophalen en repareren van de netten kost tijd. Dat geeft vangstverlet, men keert die week met minder vis terug.

Ook het gebruik van echoloden, waarmee je de diepte onder je schip kunt bepalen, is de laatste tien jaar zo geavanceerd geworden, dat men nu precies weet hoe het bodemverloop onder het schip is. Dat maakt het mogelijk om de netten precies goed te positioneren en heel scherp langs de bodem te vissen, waar de meeste vis zit. Het net moet de bodem net niet raken om obstakels te omzeilen. Dankzij de nieuwe chiptechnieken is het onderscheidingsvermogen van de echoloden gigantisch toegenomen. Vroeger zag je van het echolood alleen een zwart streepje op het beeldscherm, nu kun je niet alleen de zeebodem en wrakken onderscheiden, maar ook biomassa, zoals scholen vis onder het schip. Andere kleuren op het beeldscherm duiden op andere scholen vis. Met behulp van sensoren op de netten kan men nog scherper gaan vissen.

Naast het echolood, dat in de diepte peilt, wordt sinds de jaren zestig ook gebruik gemaakt van sonar, via geluidsgolven die alle richtingen uitgaan. Ook dolfijnen vissen met sonar, maar zij gebruiken die alleen om een prooi die recht voor ze uitzwemt te lokaliseren. De moderne multibeam sonar zendt diverse bundels geluidsgolven in allerlei richtingen uit en heeft dus een veel grotere actieradius. Op grote afstand wordt, ook onder het schip, de waterkolom afgetast.

De boomkorvisserij heeft overigens niets aan sonar, omdat je daarmee geen in de bodem verscholen platvis kunt opsporen, voor deze sector zijn vooral plaatsbepaling en navigatie van belang. Maar voor de diepzeevisserij is sonar onmisbaar geworden om een bewegende school vis op te sporen. Al varend zoekt de sonar diverse sectoren af tot er ...ping!!! een school vis gepeild is. Aan de kleurveranderingen op het scherm is te zien of het om een kleine of een grote school gaat. De nieuwste ontwikkeling is een sonar van Noorse komaf, waarmee ook de omvang van de individuele vis te meten is. Met behulp van echo-integratie kun je dan iets zeggen over de biomassa. Voorlopig is deze apparatuur nog tamelijk kostbaar en wordt hij alleen ingezet voor het onderzoek naar jonge vis bij de jaarlijkse vissurveys om vangstquota vast te stellen. In de toekomst valt hiermee wellicht selectiever te vissen om verspilling tegen te gaan.

Het manoeuvreren met de netten geschiedt helemaal automatisch. Eind jaren zestig begonnen de Noorse trawlervissers met computergestuurde netten die automatisch werden uitgezet, gesleept en weer binnengehaald. Inmiddels worden ook de lieren waaraan de netten zijn bevestigd automatisch zo bestuurd, dat het net op de juiste afstand achter het schip en op de juiste diepte blijft hangen. Sensoren

Op het net zijn sensoren aangebracht, zodat men de opening van het net op de juiste grootte en in de juiste richting kan houden en zodra er genoeg vis binnengehaald is, wordt het net automatisch geleegd. Het automatisch manoeuvreren met de netten maakt het werk van de bemanning heel wat eenvoudiger. Als men de lieren met de hand moet bedienen valt het niet mee om bij een plotselinge koersverandering achter een school vis aan het grote net, dat soms op wel twee kilometer afstand achter de trawler aansleept, in de juiste positie te houden. Dat alles gaat nu geheel automatisch, waarbij de computer die de lieren bestuurt ook rekening houdt met informatie van echolood en sonar over eventuele obstakels op de zeebodem. De schipper concentreert zich nu helemaal op het opsporen van de vis. Zodra er een school vis in beeld komt, rekent de computer onmiddellijk de juiste koersverandering en de juiste vaarsnelheid uit, zodat de vis in het net belandt. Zolang de voorraad strekt.