De keurige Jozef K. gewurgd

Voorstelling: Een gemeenschap van schurken door TheaterTeater. Gezien: 4/4 De Brakke Grond Amsterdam. Aldaar t/m 8/4, tournee t/m 16/5.

Een sombere wachtruimte met aan weerszijden een rij stoelen. Aan de ene kant zitten twee mannen, aan de overkant twee mannen en een vrouw. Kennen ze elkaar? Dat lijkt aannemelijk gezien de geroutineerde manier waarop de man met de rode stropdas om de haverklap zijn buurman in de maag stompt of zo hard in zijn neus knijpt dat de bloedklodders op de grond vallen. Niemand schijnt het te merken, iedereen praat maar wat en wacht. De vrouw vertelt dat ze is gekomen om te solliciteren en de laatst gearriveerde man moet een parkeerboete betalen, hoewel hij de overtreding niet heeft begaan.

Jozef K. heet hij. Een naam die onmiddellijk Kafka in gedachten roept. De Jozef K. met zijn aktentas die wij in de wachtkamer zien, is daar echter niet door Kafka neergezet maar door de Vlaming Peter de Graef. De Graef, die vorig seizoen opviel in de mooie poëtische, door hem zelf geschreven monoloog Ombat, liet zich inspireren door Kafka's Het proces en schreef opnieuw een sterke theatertekst: Een gemeenschap van schurken. Ditmaal treedt hij niet zelf op, maar laat hij de uitvoering over aan het Mechelse gezelschap TheaterTeater.

Aanvankelijk valt er geregeld te lachen om de voorstelling. De absurde monologen en dialogen en onverwachte gesprekswendingen hebben een vervreemdende, cabareteske werking. Na verloop van tijd slaat de stemming echter om. De sfeer wordt, en daarin schuilt het kafkaëske van Een gemeenschap van schurken, beangstigend. Verwarrend ook, omdat niet duidelijk is wat er nu precies gaat gebeuren. Dát er iets staat te gebeuren lijkt onontkoombaar, niet in de laatste plaats door de plotse gewelddadige uitbarstingen van Rowlands, de man met de rode stropdas. De vraag is alleen wie het eerste slachtoffer zal zijn. Dat blijkt, hoe kan het ook anders, de brave keurige Jozef K.: hij wordt door Rowlands gewurgd terwijl niemand een vinger naar hem uitsteekt.

Helaas komt de schok op papier harder aan dan in de voorstelling van Jappe Claes. Na de veelbelovende beginscènes verslapt de aandacht snel: de acteurs die daar maar zitten op hun stoelen in een verder kale zwarte ruimte - je kijkt er beleefd naar, maar de gedachten slaan aan het dwalen en zijn al gauw mijlen ver buiten het theater. Van een mise-en-scene is nauwelijks sprake, een dramatische ontwikkeling in de enscenering blijft uit, hoewel de situatie dat wel verlangt. Claes heeft zo weinig met deze tekst gedaan dat hij de toeschouwer de kans geeft zich te vervelen. Niets is dodelijker voor de schrijver, de acteurs en de voorstelling als geheel, dan dat.