'De bank is nimmer oorzaak van problemen bij bedrijven'

ROTTERDAM, 6 APRIL. Het is vier uur 's nachts in een Londens hotel. De telefoon rinkelt op de kamer van ABN Amro bestuurder mr. R. Groenink, die in de City probeert een deel van de failliete elitebank Barings te kopen. Aan de lijn is een van de bewindvoerders die iets uit het voorstel van ABN Amro wil verifiëren.

“Die bewindvoerders werkten daar 24 uur, in drie ploegen. Met een hoge mate van professionaliteit.” ABN Amro miste de deal, maar de bewindvoerders zijn wel een fan rijker.

In Nederland is het met de doorsnee bewindvoerders maar behelpen, zei Groenink gistermiddag op een symposium over de macht van de banken, dat plaatshad op de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Groenink heeft de afgelopen tien jaar naam gemaakt als de bancaire brandweerman bij bedrijven met grote financiële problemen als BosKalis (baggeraar), HCS (automatisering) en Daf (vrachtwagens).

“De rechtbanken benoemen jonge en onervaren advocaten als bewindvoerders. Het verlies bij een surséance of faillissement wordt daardoor soms groter dan wat het falend management al heeft veroorzaakt.” Jaarlijks laten faillissementen (vorig jaar 6.500) onbetaalde rekeningen achter van zo'n 4 miljard gulden, schatte forumleider L. Quist, president van Graydon (kredietinformatie). Groenink:“Een veelkoppig monster dat gigantisch veel geld verslindt.”

De ABN Amro man, die verantwoordelijk is voor een kredietportefeuille van ruim 250 miljard gulden, gaf een zeldzaam publiek optreden over de donkere kanten van het bankiersvak. De banken zijn de belangrijkste financiers van Nederlandse bedrijven. Als dekking voor hun kredieten hebben zij vaak hypotheken op gebouwen en onderpand op andere bezittingen, zoals machines. Het beeld van de bankier die zijn paraplu terug wil als het gaat regenen is wereldberoemd.

'Powerplay: de macht van de banken bij faillissement', luidde het thema. Met enige kenmerkende branie had Groenink bij het eerste gesprek met de organiserende faculteitsvereniging EFR gezegd dat het thema eigenlijk niet bestond, dat er geen powerplay was, laat staan van macht. Eenmaal achter de microfoon praatte hij over de “akelige momenten” in kredietverlening, het opgedrongen imago van macht en zijn ergernis bij het dichtdraaien van de kredietkraan.

Zijn scherpste kritiek richtte Groenink op de bewindvoerders. Hij vindt dat er in hun benoeming door de rechtbanken “iets wezenlijks moet veranderen”. Hij wil dat bewindvoerders, zoals nu alleen bij grote debâcles gebeurt, gerecruteerd worden uit de ervaren specialisten van de grote advocaten- en accountantskantoren.

“Er zijn een paar hele goeie bewindvoerders en die zitten gelukkig op de grote zaken”, zei Groenink met een schuin oog naar een ander spreker, mr. A. Deterink, bewindvoerder van Daf. Deterink deelt de kritiek van de ABN Amro bestuurder, met wie hij bij de afwikkeling van het faillissement van Daf nog in de clinch ligt over een renteclaim van enkele tientallen miljoen guldens.

“Ik ben het met Groenink eens. Er is de laatste jaren wel veel verbeterd in opleiding en scholing. De rechtbanken moeten die mensen dan wel kiezen. Nu ligt er gewoon een lijst met de namen van alle advocaten.”

Pratend over faillissementen poneerde Groenink twee huisregels. “De bank is nimmer oorzaak van problemen bij bedrijven. Mismanagement is in 9 van de 10 gevallen de oorzaak.” De uitzondering bevestigt de regel. “Laatst hebben wij het krediet bij het verkeerde bedrijf opgezegd. Dat ging failliet.”

Hij stak zijn ergernis over de beeldvorming bij faillissementen niet onder stoelen of banken. “Het imago van de macht van banken wordt bewust gecreëerd door partijen die hun rol bij het falen van de onderneming willen versluieren. Zoals vakbonden die ontslagen niet konden voorkomen.” En dan de pers die altijd schrijft dat “de kredietkraan wordt dicht gedraaid”. Groenink: “Een fantastisch symbool, dat niet strookt met de realiteit.” Banken geven klanten geen druppelende kranen, maar emmers water. “Dat doen wij op basis van vooruitzichten van het bedrijf en vertrouwen in de ondernemer. Tot mijn verbazing, soms verbijstering en woede komt-ie dan terug en zegt: ik heb nog een emmer nodig.”

Als de kredieten oplopen en een bedrijf soms onmerkbaar voor de buitenwereld van onbezorgd ondernemen overgaat naar een kritieke fase, komen de “akelige momenten”. Moet de bank bijsturen om groter onheil te voorkomen? Groenink is huiverig. “Ik vind dat wij actief moeten zijn, maar je moet er heel voorzichtig mee omgaan.” Foute adviezen kunnen anderen verleiden hun verlies op de bank te verhalen. “Hier zie je van deze lenders liability nog niet veel voorbeelden, maar in Amerika staan wij elke week voor de rechter.”

Het veelkoppig faillissementen monster temmen, is onmogelijk. Er is na twee jaar wel een doorbraak in onderhandelingen tussen de banken en de overheid over een vergaande wijziging van de faillissementswet. Daarin komen nieuwe regels voor surséance, nu een voorfase van roemloos faillissement. De wetswijziging moet de maatschappelijke kosten van faillissementen (onbetaalde rekeningen, ontslagen) reduceren. Na de surséance-uitspraak door de rechter wordt een periode van twee of drie weken ingelast, waarin de bank het krediet handhaaft en een deskundige de toekomst van het bedrijf onderzoekt. Met dat rapport moeten schuldeisers (lees: banken) en rechter bekijken of een redding zin heeft.