Calculerende burger heeft geen boodschap aan vakbond

AMSTERDAM, 6 APRIL. Moet de Nederlandse vakbeweging een soort VPRO worden, met echte leden en donateurs, moet het een 'sociale ANWB' worden, met nuttige extraatjes voor de leden, een credit-card-organisatie of een verzekeringsmaatschappij waar leden terecht kunnen voor hun werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsverzekering? Dat de rol van de vakbeweging, in een maatschappij vol calculerende burgers en een zich terugtredende overheid, moet veranderen, is duidelijk. Hoe die rol moet worden, volstrekt niet.

Ook in het gisteren gepresenteerde boek De vakbeweging na de welvaartsstaat is het ultieme antwoord niet te vinden. Maar de tijd begint wel te dringen, zo stelden beide auteurs, Jelle Visser en Bert Klandermans, gisteren tijdens een aan het boek gewijd symposium in het Amsterdamse Vakbondsmuseum. Zij vrezen dat de vakbeweging in een vicieuze cirkel terecht komt: als de organisatiegraad van de vakbeweging blijft afnemen, zal het voor vakbonden steeds moeilijker worden om in bedrijven een actieve rol te spelen. Maar als vakbonden niet aan de weg timmeren, zullen nog minder mensen het belang van een lidmaatschap inzien. Ondernemingsraden trekken nu al steeds meer macht naar zich toe. “De vakbeweging zal het einde van deze eeuw niet ongeschonden halen”, waarschuwde Visser gisteren.

In cijfers uitgedrukt heeft de Nederlandse vakbeweging de afgelopen decennia fors aan macht ingeboet. In 1963 voelde nog veertig procent van de beroepsbevolking de noodzaaak om bij een vakbond aansluiting te zoeken, tegenwoordig is dat nog maar 27 procent. Bovendien, zo concluderen de auteurs op basis van hun studie, vormt de huidige achterban de vakbeweging geen representatieve weerspiegeling meer van de beroepsbevolking. De vakbonden bestaan nog steeds uit mannenbolwerken. Tweederde van de achterban is man: van de sterk toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen is in de ledenbestanden nauwelijks iets terug te vinden. Ook jongeren, allochtonen, deeltijdwerkers en werknemers bij kleine bedrijven voelen zich volgens de auteurs maar zelden tot de vakbeweging aangetrokken. “Het is niet duidelijk meer voor wie de vakbeweging eigenlijk nog spreekt”, zei Visser.

FNV-voorzitter Johan Stekelenburg reageerde gisteren geprikkeld op de sombere uitlatingen van Visser en Klandermans. De gesignaleerde daling van de organisatiegraad van 40 naar 27 procent is volgens hem maar een deel van de waarheid. Door de herdefiniëring van de beroepsbevolking (waar nu iedereen toe wordt gerekend die ten minste een uur per week betaalde arbeid wil verrichten) is de organisatiegraad automatisch gedaald, stelt Stekelenburg. “Wanneer je dat met terugwerkende kracht zou corrigeren, moet je zeggen dat de organisatiegraad is gedaald van 32 naar 27 procent. Dat maakt het natuurlijk niet minder erg, maar ik wilde het toch maar eens gezegd hebben”.

Stekelenburg toonde zich ook minder somber over de toekomst van de vakbeweging. Volgens hem is de dalende trend binnen de vakcentrale FNV in 1988 al omgebogen. Na een dieptepunt van 900.000 leden in dat jaar (toen Stekelenburg voorzitter werd) is het aantal leden inmiddels weer boven de 1,1 miljoen gestegen. Bij die nieuwe leden zitten nu juist relatief veel vrouwen, zo stelde de FNV-voorzitter.

Zowel Stekelenburg als zijn collega-voorzitter Anton Westerlaken van het CNV worstelt met de rol die de vakbeweging in deze maatschappij moet gaan vervullen. “Wij moeten als vakbeweging een soort spagaat maken. Aan de ene kant moeten we een financieel adviesbureau zijn voor leden die met vier of vijf ton zijn afgekocht. Aan de andere kant moeten we ook de belangen behartigen van mensen die helemaal niets extra te besteden hebben”, zei Westerlaken.

De CNV-voorzitter bevestigde dat de vakbeweging in het verleden kansen heeft laten liggen: “De vakbeweging is bijvoorbeeld in het begin vrij krampachtig omgegaan met deeltijdwerk. Daar waren we eigenlijk tegen. Maar daardoor zijn die werknemers ook niet bij de vakbond gekomen, omdat ze dachten dat daar toch niets voor ze werd gedaan”.