Brede steun van Kamer voor nieuwe arbeidstijdenwet

DEN HAAG, 6 APRIL. De kabinetsvoorstellen voor een nieuwe arbeidstijdenwet, die arbeids- en rusttijden regelt, worden breed gesteund door de Tweede Kamer. Dat bleek gisteren na een debat van zeven uur over de wijziging van de uit 1919 stammende wet. De Tweede Kamer heeft 24 amendementen ingediend, maar die kunnen waarschijnlijk geen van alle rekenen op een meerderheid.

Het debat wordt na het Paasreces voortgezet, want de Tweede Kamer heeft het als bijzonder fundamenteel gekenschetste debat na twee dagdelen vergaderen nog niet kunnen afronden. Volgens minister Melkert (sociale zaken) moet op 1 januari 1996 begonnen worden met de geleideljke invoering van de wet, die een jaar later op elke arbeidsorganisatie van toepassing moet zijn.

In het wetsontwerp is sprake van twee soorten wettelijke normen: de zogeheten standaardregeling en de overlegregeling. De standaardregeling stelt normen waarvan in het algemeen kan worden gesteld dat veiligheid, welzijn en gezondheid van werknemers zijn gegarandeerd. Werkgevers kunnen met vakbonden of ondernemingsraden ruimere afspraken maken, maar die mogen de door de nieuwe wet gestelde uiterste normen van de overlegregeling niet te boven gaan.

De nieuwe wet vergroot de mogelijkheden tot flexibilisering van arbeidstijden sterk. Zo heeft elke werknemer volgens de standaardregeling recht op minimaal vier vrije zondagen in een kwartaal van dertien weken. Als ze daarvan af willen wijken, moeten sociale partners de absolute grens van dertien vrije zondagen per jaar respecteren. Voor GroenLinks, de Socialistische Partij en de kleine christelijke partijen zijn deze normen nog te ruim. Ook het CDA heeft, zij het in mindere mate, bedenkingen. Minister Melkert kan voor zijn voorstellen ten aanzien van de arbeid op zondag echter rekenen op de steun van de regeringspartijen.

Melkert vindt dat de regeringsvoorstellen ten aanzien van de arbeid op zondag “een redelijke balans” vormen tussen de verschillende standpunten in maatschappij en politiek. Volgens het wetsvoorstel mag alleen op zondag gewerkt worden indien dit uit de “bedrijfsomstandigheden” of de “aard van de arbeid” voortvloeid. Volgens Melkert is in de nieuwe arbeidstijdenwetgeving “de volmondige erkenning opgenomen dat de zondag ook in de toekomst als een speciale dag wordt gezien, een dag waarop het normale regime van arbeids- en rusttijden niet van toepassing is”. De zondag blijft volgens de bewindsman “een uitzonderlijke dag”.

Een ander belangrijk discussiepunt betrof het primaat van de vakbonden, danwel de Ondernemingsraad, bij het maken van afspraken met de werkgever over van de standaardregeling afwijkende arbeids- en rusttijden. Ook hier koos Melkert zijns inziens de gulden middenweg tussen verschillende maatschappelijke en politieke opvattingen. “Bestudering van de drie voorstellen”, aldus Melkert gisteren over zijn eigen wetsvoorstel en twee amendementen, “leidt tot de eenvoudige conclusie dat mijn voorstel precies tussen de twee andere in zit”.

Het voorstel van Melkert behelst dat, wanneer in een CAO niets wordt geregeld op het punt van de arbeidstijden, de standaardregeling van toepassing is. Zodra per CAO wel afspraken worden gemaakt over bijvoorbeeld een 36-urige werkweek, geldt voor alle andere aspecten die op de arbeidstijden betrekking hebben en die niet in de CAO zijn geregeld dat het aan de Ondernemingsraad en de werkgever is hierover per onderneming besluiten te nemen. De “koninklijke weg” is volgens Melkert dat de CAO prevaleert boven afspraken tussen werkgever en Ondernemingsraad.

Melkert maakte zich in het debat sterk voor opneming in de wet dat werknemers naast arbeid andere verantwoordelijkheden hebben. De werkgever dient hen in staat te stellen die te dragen. Hij denkt daarbij onder meer aan zorgtaken, studie, gemeenteraadslidmaatschap en vrijwilligerswerk. De werkgever moet volgens Melkert aangeven hoe hij de persoonlijke omstandigheden van de werknemers meeweegt in de totstandkoming van de werktijdregelingen. Modernisering houdt volgens Melkert in dat rekening wordt gehouden met de veelheid van verantwoordelijkheden die individuen dragen. Met name de VVD vindt dat het opnemen van dit recht de nieuwe arbeidswet nodeloos ingewikkeld maakt.