Arme zuiden blijft noorden wantrouwen

BERLIJN, 6 APRIL. India heeft hard moeten lobbyen voor zijn green paper. Maar toen veertig ontwikkelingslanden het initiatief bleken te steunen en ook de Chinese delegatie op de internationale klimaatconferentie te Berlijn ten slotte zijn zegen had gegeven, kon niemand uit de groep 'arme landen' er nog omheen. Het twee A4'tjes lange document met eisen voor aanvullende maatregelen tegen het broeikaseffect, werd vervolgens razendsnel door nog eens dertig landen geadopteerd. De overige delegaties restte daarna een eenvoudige keuze: de weg volgen die de ontwikkelingslanden hadden uitgezet of de conferentie met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid laten mislukken. Er is geen regering die doelbewust op dat laatste aanstuurt. Een fiasco zou alleen in de oliestaten tot sardonisch gelach kunnen leiden.

Het green paper bevat enkele moeilijke eisen voor de industrielanden, die op deze eerste conferentie van de ondertekenaars van het klimaatverdrag - in 1992 overeengekomen op de VN-milieutop in Rio de Janeiro - niet tot concrete formuleringen willen komen. Formeel hoeft dat ook niet. Er is alleen een mandaat nodig om verder te praten na morgen en dat kan uit één zin bestaan. Het verdrag voorziet in een periode van twee jaar na deze conferentie waarin tot aanvullende maatregelen kan worden besloten, als deze nodig worden geacht. En dat vindt vrijwel iedereen. De vraag is welke landen hoever moeten gaan.

Het arme 'zuiden' vertrouwt het rijke 'noorden' niet. De ontwikkelingslanden willen dat de industrielanden nu al verplichtingen aangaan. Slechts een handjevol industrielanden zit op de koers die in Rio is bepaald om de uitstoot van kooldioxide in het jaar 2000 te stabiliseren op het niveau van 1990. Het green paper wil dat de industrielanden in het jaar 2005 hun kooldioxide gereduceerd hebben met twintig procent.

Zelf zijn de ontwikkelingslanden daartoe niet bereid: “no new commitments”, staat er kort en krachtig in het paper, tot grote woede van met name de VS. Daarbij eisen de ontwikkelingslanden ruimte om de hoeveelheid kooldioxide per hoofd van de bevolking te kunnen opvoeren naar het niveau waarop ze zeggen recht te hebben.

“De VS zetten de wereld op hun kop als ze eisen dat ontwikkelingslanden moeten bijdragen aan de CO-reducties”, zegt reducties. Ravi Sharma, directeur van het Indiase Centre for Science and Environment, een non-gouvernementele organisatie (NGO). “Volgens de VN-wetenschapscommissie voor klimaatverandering is een veilig niveau voor kooldioxide 0,4 ton per hoofd van de wereldbevolking per jaar. De VS zitten nu op zes ton per hoofd van de bevolking, India op 0,2 ton. Zeggen dat India ook moet reduceren is dus grote waanzin”, zegt Sharma, die de VS “achterbaks” noemt.

Volgens hem is het “schandalig” dat de VS nalaten aan te tonen dat ontwikkelingslanden onvoldoende de verplichtingen nakomen die ze in Rio zijn aangegaan. “Als je vindt dat ontwikkelingslanden meer moeten doen, moet je aantonen dat ze nu niet genoeg doen. De VS kunnen dat niet, maar proberen alleen de aandacht van hun eigen falen af te leiden.”

Investeren door industrielanden in ontwikkelingslanden om daar relatief goedkope CO-reducties te bewerkstelligen om die vervolgens van de eigen doelstelling te mogen aftrekken - de zogenoemde Joint Implementation - mag van de ontwikkelingslanden 'Berlijn' niet overleven. Althans, “niet zolang onduidelijk is wie de besparing op zijn CO-krediet mag bijschrijven”, zegt het Zambiaanse delegatielid Johnson. “De ontwikkelingslanden willen graag geholpen worden door de industrielanden, maar niet als de laatsten er als enigen beter van worden. “De gretigheid waarmee industrielanden een proefproject met joint implementation willen beginnen doet de ontwikkelingslanden huiveren.”

De ontwikkelingslanden doen genoeg aan terugdringing en voorkoming van het broeikaseffect als zij zich houden aan wat zij in het verdrag hebben afgesproken - en dat is minder dan de industrielanden, zegt de Indiër Sharma. “De ontwikkelingslanden moeten over twee jaar de mogelijkheden hebben geïnventariseerd hebben en met beleidsmaatregelen zijn gekomen. Pas dan kunnen de industrielanden vaststellen of de ontwikkelingslanden achterblijven. Wij kunnen nu al vaststellen dat de industrielanden dat doen en zullen hen aan hun afspraken houden.”

Een minder plezierig effect van het green paper is dat de vroeger eensgezinde groep van 77 ontwikkelingslanden (de G77) uiteen is gevallen. Een aantal Zuid-Amerikaanse landen voelde zich niet geroepen de relaties met de VS over dit onderwerp op scherp te zetten. En ook de olieproducerende landen van de OPEC deden niet mee. Ze willen helemaal geen reducties en ook niet stabiliseren. Zij willen slechts olie verkopen.