VS houden zich opvallend rustig in Europees televisiedebat

BRUSSEL, 5 APRIL. In het debat dat momenteel woedt in Europa over het al dan niet aanscherpen van quota voor televisieprogramma's van Europese makelij, is het opvallend stil aan Amerikaanse zijde. Jack Valenti, hoofd van de Motion Pictures Association of America en de belangrijkste Amerikaanse filmlobbyist, heeft bijvoorbeeld nog niet van zich laten horen.

Dat was wel anders twee jaar geleden, toen Frankrijk voorstelde de Europese film- en televisie-industrie buiten het GATT-akkoord over liberalisering van de wereldhandel te houden uit angst voor Amerikanisering. Dat voorstel leverde onmiddellijk felle negatieve reacties op uit de Verenigde Staten. Nu lijken de Amerikanen te hebben gekozen voor een terughoudende tactiek: zo lang ze in Europa nog kibbelen, kunnen wij beter geen olie op het vuur gooien.

“Wij zijn hier tenslotte te gast in Europa”, verklaart voorzichtig Ivan Hodac, senior vice president van Time Warner Europe. “Het is aan de Europeanen de beste manier te vinden om hun audiovisuele industrie te ontwikkelen.” Ondanks zijn voorzichtige opstelling verheelt Hodac niet dat hij niets ziet in strengere minimum quota voor Europese programma's, zoals de Europese Commissie onlangs heeft voorgesteld en waar vooral Frankrijk voor pleit. “Competitie is beter dan protectie”, meent Hodac. “Als je probeert met quota cultuur te beschermen, dan breng je die cultuur om zeep. Je moet cultuur juist promoten.”

Time Warner Europe houdt kantoor in een statig pand in Brussel, dichtbij de Europese instellingen. Vanuit dit kantoor volgt Hodac nauwlettend de discussie die nu in de Europese Unie wordt gevoerd. “Wij willen natuurlijk het liefst een liberale politiek”, erkent Hodac. “Maar dat zou ook voor Europa het beste zijn.” Dat is echter niet de mening van de Europese Commissie en van Frankrijk, die redeneren dat de Europese audiovisuele industrie baat heeft bij het afschermen van de markt voor de stortvloed aan Amerikaanse films en televisieseries.

Volgens de Commissie wordt de zendtijd op de Europese televisie momenteel voor 55 tot 60 procent gevuld met buitenlandse - vooral Amerikaanse - produkties en is meer dan 80 procent van de bioscoopfilms van niet-Europese origine. “Zo'n 80 procent Amerikaanse films - dat klopt wel”, aldus Hodac. “Maar die 60 procent voor televisie klopt absoluut niet. Het is niet zeker hoe groot het aandeel buitenlandse produkties precies is, maar ik zou zeggen in de buurt van de 40 procent.”

De Europese televisieproduktie verkeert volgens Hodac ook helemaal niet in een 'bad shape'. Het is vooral de bioscoopfilm die het slecht doet. Europa importeert jaarlijks voor zo'n 3,8 miljard dollar aan films en video's uit de VS, terwijl de export slechts 250 miljoen dollar bedraagt. Om de Europese film te promoten, zijn er volgens Hodac veel effectievere manieren dan quota.

“Europa zou om te beginnen films moeten produceren die de mensen ook willen zien. Dat hebben de Amerikanen beter begrepen.” Dat betekent volgens Hodac niet dat Europeanen massaal films à la Terminator moeten gaan maken. “Maar ze zouden wel minder de lokale cultuur moeten weerspiegelen en meer universele waarden. Een film als Cinema Paradiso, bijvoorbeeld, heeft het ook in de Verenigde Staten heel goed gedaan.”

Een tweede remedie is volgens Hodac het ontwikkelen van filmsterren. Twintig jaar geleden, toen Franse en Italiaanse films nog veel bekeken waren, was er aan sterren geen gebrek. “Maar waar is de nieuwe Delon, Deneuve of Mastroianni?” Behalve filmsterren heeft Europa volgens Hodac financiële prikkels nodig, die ook buitenlandse investeerders moeten aanmoedigen in filmprodukties te investeren. “Wij produceren de laatste tijd bijvoorbeeld veel in Ierland, waar dergelijke belastingvoordelen gelden.”

Met verbazing ziet Hodac hoe vooral Frankrijk quota promoot als laatste redmiddel in de strijd om het behoud van een culturele identiteit in het algemeen en een Europese filmindustrie in het bijzonder. “Als Denemarken zich nou zorgen zou maken. Frankrijk heeft de sterkste filmindustrie van Europa. Het heeft grootse regisseurs en acteurs voortgebracht.” Het probleem is volgens Hodac dat de Franse filmindustrie het gevoel met de markt heeft verloren. “Steeds minder mensen willen Franse films zien, niet alleen in Frankrijk maar vooral ook daarbuiten.”

Als laatste remedie voor de Europese filmindustrie noemt Hodac opleiding. “Van scenarioschrijvers, distributeurs, filmmakers. En daar kunnen Amerikanen bij helpen, want wij hebben de 'know-how'.” Haastig voegt hij daar een voorzichtige nuancering aan toe: “Het gaat natuurlijk om uitwisselen van 'know how'. Wij kunnen ook van jullie leren.”