Schrijnende armoede is niet acceptabel

De boodschap dat er in Nederland sprake is van armoede is inmiddels over gekomen. Het was voor het eerst dat ik een minister - Ad Melkert - in de Kamer hoorde erkennen dat er in Nederland sprake is van armoede. Dat is een van de verworvenheden van de Sociale Top in Kopenhagen.

In 1992 ging de formulering 'armoede' het kabinet nog te ver en sprak men liever van achterstandssituaties (nota Bijstand en Minimabeleid 1992). Het herkennen en vervolgens erkennen van armoede is het begin van een beleid dat leidt tot de oplossing ervan. Volgens het Sociaal Cultureel Rapport heeft 7 procent van de huishoudens een inkomen beneden de bijstandsnorm. Deze situatie hoeft niet altijd uitzichtloos te zijn en is soms tijdelijk zoals bij jongeren en studenten. Maar daar waar armoede langdurig en uitzichtloos is, is het schrijnend en niet acceptabel.

Een inkomen beneden bijstandsniveau betekent dat mensen door individuele omstandigheden onder de sociale norm doorschieten. Bijvoorbeeld omdat generieke overheidsmaatregelen bedoeld als compensatie voor hoge kosten of inkomensverlies niet altijd terecht komen bij de mensen voor wie ze bedoeld zijn. Mensen passen nu eenmaal niet altijd in alle tevoren bedachte vakjes. De consequentie is dat op individueel niveau compensatie gezocht moet worden. Daar waar inkomensbeleid is voorbehouden aan de rijksoverheid is het maatwerk op individueel niveau een taak van de lagere overheid: de gemeente.

Aan het bericht over het 'Plannetje Noorman' (NRC Handelsblad, 26 maart) ontbrak iets: de vier voorstellen om mensen met de laagste inkomens tegemoet te komen. Die noemde ik in het debat over de schuldproblematiek in de Tweede Kamer op 23 maart.

Tijdens het debat werd door anderen de suggestie gewekt als zou de Partij van de Arbeid de eenmalige uitkering terug willen hebben. In 1984 kwam de Tijdelijke Wet Eenmalige Uitkering tot stand. Deze regeling was bedoeld om via een eenmaal per jaar te verstrekken uitkering het koopkrachtverlies achteraf voor de laagste inkomens te compenseren. De regeling bleek niet rechtvaardig, onredelijk en slecht uitvoerbaar, de afschaffing daarvan werd door nagenoeg iedereen ondersteund. Het zal dan ook niet verbazen dat ik de suggestie, als zou ik een soortgelijke regeling voorstellen, afwees. Ik moet er niet aan denken.

Wat ik wel aan de orde heb gesteld is het volgende:

Ten eerste heb ik voorgesteld dat de Bijzondere Bijstand opgerekt moet worden. Zo kunnen gemeenten voor hen die lang, bijvoorbeeld vijf jaar, op het laagste inkomen zitten een bijdrage ineens van 800 of 1.000 gulden via het instrument van de Bijzondere Bijstand verstrekken. Zo kan een versleten wasmachine, een nieuw bed of extra nieuwe kleding worden aangeschaft, zonder dat er meteen een schuld moet worden aangegaan, leenbijstand moet worden aangevraagd of iedere bonnetje tot op de laatste cent verrekend moet worden. Dat voorstel is gedaan omdat inmiddels duidelijk is geworden dat mensen die langdurig op het laagste inkomen zijn aangewezen geld tekort komen. Dat geldt overigens ook voor eenoudergezinnen met opgroeiende kinderen tussen de 11 en de 16 jaar. Op dit moment is zo'n regeling niet toegestaan. Voor het goede begrip: Bijzondere Bijstand is er niet alleen voor mensen met een bijstandsuitkering, iedereen die aan de voorwaarden voldoet kan een beroep op deze voorziening doen.

Inmiddels is bekend dat nogal wat gemeenten geld overhouden op de Bijzondere Bijstand. Hoeveel precies en hoe dat besteed wordt, is niet voldoende duidelijk. Daarover loopt op dit moment een onderzoek. De Kamer heeft daar al eerder naar gevraagd. Ik heb ook gezegd dat als uit het onderzoek mocht blijken dat er onvoldoende geld beschikbaar is voor dit voorstel, de Partij van de Arbeid dan bereid is daarvoor aanvullende dekking te geven.

In de tweede plaats stel ik voor in de schuldsaneringsregeling een sociale norm op te nemen. Het gaat erom dat het oordeel of de sociale norm - maximaal drie jaar rondkomen van een inkomen onder bijstandsniveau - een verantwoordelijkheid dient te zijn die de politiek moet nemen. Die normering mag niet ter vrije interpretatie aan de rechter overgelaten worden. Het gaat erom dat men niet langer dan drie jaar terugbetaalt als hetgeen men in die periode overhoudt niet meer is dan 94 procent van het bijstandsniveau.

Ten derde dient de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen weer teruggehaald te worden. Daar heb ik in november met steun van de andere fracties om gevraagd. De reactie van het kabinet is een voorstel tot kwijtschelding bij een inkomen tot 95 procent van het bijstandsniveau. Dat is voor mij nog niet voldoende. Eind jaren tachtig zijn de mogelijkheden voor gemeenten om kwijtschelding te geven zeer beperkt. Was het eerst mogeljk om tot 10 procent boven de bijstand kwijtschelding te geven, nu is dat nog maar mogelijk bij een inkomen tot 90 procent van het bijstandsniveau. Daarom heb ik aangekondigd dat wij sneller tot een hogere kwijtscheldingsmogelijkheid willen komen.

Tot slot moeten de mogelijkheden voor de gemeenten om een minimabeleid te voeren verruimd worden. Ik heb gevraagd om een evaluatie en het vervroegd op de agenda zetten van dit instrument.

Is met de genoemde maatregelen het armoede probleem in Nederland opgelost? Nee. Maar als de steun van andere politieke partijen ertoe leidt dat deze maatregelen kunnen worden uitgevoerd, dan betekent dat wel dat er iets van de scherpte van het schrijnende af gaat.