Nog één zomer

NEW YORK. Voor ons, het publiek, bereikt de oorlog in Bosnië langzamerhand een nieuw stadium: dat waarin de feiten als voldongen worden erkend en er voldoende afstand kan worden genomen voor de eerste pogingen tot reconstructie. Daarin tekenen zich twee scholen af. De eerste verdedigt de zienswijze dat het Westen van het begin af niets met het conflict te maken heeft gehad. Er was geen Westelijk belang mee gemoeid, de volken ter plaatse worden door hun typische karaktertrekken al eeuwen gedwongen elkaar uit te moorden en het Westen heeft de meest humane politiek aan de meest realistische gepaard door het strijdtoneel in quarantaine te houden en door aanwezigheid van de Verenigde Naties het moorden zoveel mogelijk te temperen. Natuurlijk moet wat daar is gebeurd worden verworpen en veroordeeld. Dat is al gebeurd en het zal opnieuw gebeuren, want de eerste van oorlogsmisdaden verdachte soldaat verschijnt weldra voor het speciale tribunaal. Maar we moeten onszelf geen verwijten maken of ons te buiten gaan aan een solidariteit die geen consequenties heeft. Wie dat wel doet, lijdt aan een Sarajevo-complex of maakt als politiek rampentoerist goede sier met de misère van anderen.

Tot de tweede school reken ik mensen als Warren Zimmerman, voormalig ambassadeur in Belgrado, de Britse journalist Noel Malcolm, de schrijver David Rieff, om er een paar te noemen. Zimmerman heeft in Foreign Affairs zojuist zijn Joegoslavische memoires gepubliceerd, van Malcolm is een uitvoerige analyse verschenen in het laatste nummer van het Amerikaanse kwartaalschrift The National Interest en Rieff is de schrijver van het boek Slaughterhouse, Bosnia another Failure of the West, ook onlangs gepubliceerd. Drie auteurs die in de loop van een paar jaar de ontwikkeling van de catastrofe van dag tot dag hebben gevolgd (ze hebben er gewoond), en die zonder een spoor van melodramatische ijdelheid, met historische kennis van zaken hun analyse van de Westelijke politiek geven.

Hun conclusies zijn vernietigend en komen in de meeste opzichten overeen. Ten eerste - ik vat de strekking zeer grof samen - heeft het Westen in het begin van de oorlog verzuimd gebruik te maken van een paar kansen om de oorlog in de kiem te smoren. Ten tweede heeft het zich juist daardoor in een moeras gewerkt waar het nog altijd niet uit is. Ten derde is binnen het bondgenootschap - zich in het moeras gewaagd hebbend, als gevolg daarvan - een onderlinge onenigheid ontstaan die evenmin is opgelost. Ten vierde is de schijn gewekt, of het bewijs geleverd - dat moet tot de volgende gelegenheid worden afgewacht - dat de NAVO ná de Koude Oorlog een macht is waarvoor ìn de Koude Oorlog de uitdrukking papieren tijger werd gebruikt.

In het betoog van de drie auteurs speelt humanitair idealisme een ondergeschikte rol. “Op lange termijn”, besluit Malcolm zijn essay, “is het een politiek belang van het Westen ervoor te zorgen dat het Groot-Servisch experiment mislukt. Het praktisch probleem - waarvan de oplossing aan de militaire planners en niet aan de diplomaten moet worden toevertrouwd - is het vinden van de middelen en methoden om die mislukking te bevorderen, en tegelijkertijd er zorg voor te dragen op Bosnisch grondgebied geen Westelijke strijdkrachten achterblijven, die er in de eerste plaats trouwens helemaal niet hadden moeten zijn.”

Het klinkt niet als de conclusie van een politieke rampentoerist. Toch is het, ondanks zijn realistische toonzetting, een vrome wens. Het staat nu wel vast dat het Westen zonder de Amerikanen geen grote buitenlandse politiek heeft, niet in Bosnië, noch waar dan ook, en alles wijst erop dat het in Washington zelfs ontbreekt aan de grondslag waarop zo'n grote buitenlandse politiek tot stand zou moeten komen. Er is wel het een en ander bereikt: voortgang in de vermindering van de kernbewapening, bevordering van het vredesproces in het Midden Oosten, containment van Saddam Hussein, herstel van het wettig bewind en de rust in Haïti. Allemaal resultaten die onder de noemer van het nationaal belang kunnen worden gebracht. Maar het ontwerp voor een structuur van het Westen, even hecht als in de Koude Oorlog de NAVO, is er niet gekomen. Dat valt misschien nog wel onder de noemer van het nationaal belang, maar buiten de reikwijdte van de verbeeldingskracht.

Dat is geen wonder: de regering van president Clinton is alzijdig verstrikt in de binnenlandse problemen. Deze week lopen de eerste honderd dagen van Newt Gingrichs Contract with America af, er wordt een gevecht om de belastingverlagen gevoerd met een felheid en in een terminologie die aan de beste dagen van de Europese klassenstrijd doet denken. De positie van de homoseksuelen in de strijdkrachten is door Gingrich weer in de discussie gebracht. Bezuinigingen op openbare diensten en sociale voorzieningen polariseren de openbare mening voorzover die zich niet met de juridische lotgevallen van O.J. Simpsom of de toekomst van het baseball na de staking bezighoudt. Na de Golfoorlog was de belangstelling van het Amerikaanse publiek voor het verder afgelegen buitenland al vrijwel uitgeput (laat staan de betrokkenheid) en na de Republikeinse 'novemberrevolutie' is er nog veel minder van over.

Meer dan ooit is Bosnië dus een Europese zaak. Maar op welke manier? Voor het tribunaal in Den Haag is het een juridische opgave, de eerste in die orde na Neurenberg en Tokio. Voor de tweede school die ik hierboven noemde, is het een historisch onderwerp waarvan beschrijving en analyse niets aan de werkelijkheid zullen veranderen. Voor de eerste school is het zaak, de politiek van quarantaine zo lang vol te houden tot de uitputting der partijen erop is gevolgd. Buiten voormalig Joegoslavië heeft de quarantaine het al gewonnen. Binnen de grenzen moet er deze zomer nog wat worden gevochten.