Lamfalussy hekelt tekorten in Europa

FRANKFURT, 5 APRIL. Het duurzaam terugbrengen van de begrotingstekorten, het beheersen van de staatsschuld en het voeren van een deugdelijk monetair beleid in de lidstaten van de Europese Unie zijn de enige weg om onrust onder de Europese munten te voorkomen. Dit recept schreef Alexandre Lamfalussy, de voorzitter van het Europese Monetaire Instituut (EMI), de voorloper van de Europese centrale bank, de lidstaten gisteren voor tijdens de presentatie van het eerste jaarverslag van het EMI in Frankfurt.

In het verslag uit het EMI forse kritiek op de begrotingsdiscipline in de Europese Unie. Lamfalussy zei dat de meeste lidstaten onvoldoende gebruik maken van het economisch hoogtij om de overheidsfinanciën te saneren, waarbij hij met name verwees naar Italië en Spanje. Veel landen dreigen daarom de financiële criteria in het Verdrag van Maastricht, die bepalen of een lidstaat mag toetreden tot de toekomstige muntunie in Europa, niet te halen. Twee van die Maastricht-criteria zijn een begrotingstekort van hooguit 3 procent en een staatsschuld van hooguit 60 procent van het bruto binnenlands produkt of een geloofwaardige afbouw van de staatsschuld in die richting. Hoewel vooral in de Noordwestelijke groep van EU-lidstaten de staatsschuld en het begrotingstekort aanmerkelijk zullen teruglopen, zijn de cijfers voor de gehele EU niet rooskleurig. De gemiddelde staatsschuld liep in de afgelopen twee jaar op van 61 tot 69 procent, zal in 1995 stijgen naar 72,9 procent en in 1996 uitkomen op 73,4 procent. Het gemiddelde begrotingstekort zakte van 6 procent in 1993 naar 5,6 procent vorig jaar, gaat dit jaar omlaag naar 4,7 procent om in 1996 uit te komen op 3,9 procent, en voldoet daarmee nog steeds niet aan de Maastricht-maatstaf. “Tenzij er in de komende maanden drastische maatregelen worden genomen, is een muntunie in 1997 niet haalbaar”, zei de voorzitter van het EMI.

In het Verdrag van Maastricht is de mogelijkheid open gelaten dat, indien een meerderheid van de nu vijftien lidstaten van de EU aan de criteria voldoet, de muntunie dan al van start kan gaan. In 1999 begint de muntunie met de landen die aan de criteria voldoen. Lamfalussy drong er op aan dat de lidstaten al in een vroeg stadium besluiten welke er aan die Economische en Monetaire Unie (EMU) meedoen, het liefst al vroeg in 1998. Hij zei dat het EMI na dat besluit nog bijna een jaar aan voorbereidingen nodig zal hebben. De invoering van een gemeenschappelijke munt zal door technische redenen, onder meer het drukken van voldoende bankbiljetten, pas in 2002 of in 2003 plaatsvinden. Het EMI heeft voorgesteld de hoogste waarde voor het muntgeld vast te stellen op 2 ecu (een ecu is nu iets meer dan 2 gulden). Er komen bankbiljetten van 5, 10, 20, 50, 100, 200 en 500 ecu. Over de keuze voor het ontwerp en de naam van de nieuwe munt, die nu ecu als werktitel graagt, sprak Lamfalussy zich niet uit. “Dat is geen zaak van een centrale bankier.”

Terwijl het instituut in het verslag over het afgelopen jaar nog kon terugzien op een rustige periode op de valutamarkt, leidde een vlucht van investeerders in de Duitse mark in de eerste drie maanden van 1995 tot het verzwakken van de munten buiten het blok van Nederland, België en Oostenrijk rond de Duitse mark. Lamfalussy toonde zich een verklaard tegenstander van beperkingen van de valutahandel om speculatie tegen te gaan. “Een op stabiliteit gericht monetair en begrotingsbeleid van de lidstaten is de enige oplossing voor het bezweren van de onrust.” De EMI-voorzitter weet ook de onrust tussen de sleutelvaluta's D-mark, dollar en yen aan een gebrek aan coördinatie tussen het economische, financiële en monetaire beleid van Duitsland, de VS en Japan. Lamfalussy, die er op wees dat er de laatste jaren een duidelijke toenadering van de inflatie tussen de lidstaten had plaatsgevonden, waarschuwde ook dat de eerste drie maanden van dit jaar laten zien dat het tempo van de geldontwaarding in de EU weer uiteen begint te lopen, vooral door het opleven van de inflatie in de zuidelijke lidstaten.

Het EMI presenteerde in het jaarverslag een overzicht van het beleid en de methodes van de centrale banken in de EU, die aan de vooravond van het muntunie zullen moeten zijn gelijkgeschakeld. Welk voorstel het EMI zal doen over een uniforme methodiek en werkwijze voor het toekomstige Europese systeem van centrale banken (ESCB) wordt volgend jaar bekend. Directielid G.J. Hogeweg wilde er na afloop van de jaarvergadering niet in detail op ingaan, en bevestigde dat waarschijnlijk pas in augustus 1996 concrete voorstellen zullen worden gedaan. In centrale bankierskringen gaat men er overigens vanuit dat een streefdoel voor de geldhoeveelheid als methode voor het handhaven van prijsstabiliteit, naar model van de Duitse Bundesbank, straks ook door de Europese centrale bank zal worden gehanteerd.

Op de vraag of hij vreest dat de Duitsers door de recente valuta-onrust nog terughoudender worden om de eigen D-mark op te laten gaan in een Europese munt, zei Lamfalussy dat het statuut van de toekomstige Europese centrale bank nog strikter is dan dat van de Duitse centrale bank, de Bundesbank. De ecu hoeft volgens hem niet zwakker te worden dan de D-mark. De begrotingsdiscipline die de deelnemers aan de Economische en Monetaire Unie zullen moeten opbrengen, presenteerde hij als een objectieve maatstaf. “Met het oog op de toekomst zal iedereen er voor moeten zorgen de schulden niet uit de hand te laten lopen, Maastricht of geen Maastricht. De toekomstige deelnemers aan de muntunie zullen tegen 1999 al lange tijd een strikt monetair en begrotingsbeleid hebben gevoerd om aan de criteria te voldoen. Er is daarna geen enkele reden om van dat beleid af te stappen.”