Journalistiek gebruik van gestolen informatie kan soms nuttig zijn

Justitie werkt aan een strafzaak die antwoord moet geven op de vraag hoe ver een journalist mag gaan bij het gebruikmaken van informatie. Volgens Huub Evers is het gewenst dat óók de Raad voor de Journalistiek zich buigt over deze kwestie. De juridische norm is niet identiek aan de ethische.

Waar dient voor een journalist de grens te liggen in het gebruikmaken van informatie als hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat het gestolen informatie betreft? Over die moeilijke vraag moet, wanneer het aan het Amsterdamse openbaar ministerie ligt, de rechter een principiële uitspraak doen. Daarom is justitie een gerechtelijk vooronderzoek gestart naar het handelen van de journalisten Feike Salverda en Peter R. de Vries. Zij worden waarschijnlijk te zijner tijd voor de rechter gedaagd wegens heling van gestolen justitiële informatie. “Justitie wil geen heksenjacht openen op journalisten, maar we vinden het van groot belang dat rechters de grenzen aangeven van hoe ver een journalist mag gaan in het aanboren en gebruik maken van informatie”, verklaarde hoofdofficier Vrakking eerder tegenover deze krant.

Zonder aan de opdracht van de rechter afbreuk te willen doen mag gesteld worden dat het aangeven van grenzen en het formuleren van normen, wanneer het gaat om het doen en laten van journalisten en om mediapublikaties, bij uitstek de taak is van de Raad voor de Journalistiek.

Dit college, opgericht om in het kader van tegen de media ingediende klachten het handelen van journalisten aan vakethische normen te toetsen en hierover 'gezaghebbende opinies' uit te spreken, kan ook zonder klacht in meer algemene zin een oordeel formuleren over de principiële kanten van journalistieke kwesties. Door een reglementswijziging heeft de Raad sinds ruim twee jaar de mogelijkheid “anders dan naar aanleiding van een klacht uitspraak te doen over zaken betreffende journalistieke gedragingen met een algemene strekking en die van principieel belang zijn”.

Van deze mogelijkheid werd nog niet eerder gebruik gemaakt. Voorzover bekend is slechts eenmaal serieus overwogen zo'n uitspraak te doen. Dat was ongeveer een jaar geleden in wat inmiddels de 'affaire-Reporter' is gaan heten. Het KRO-televisieprogramma besteedde in een geruchtmakende aflevering aandacht aan de verdenkingen van fiscale fraude bij een bedrijf waarvan de toenmalige CDA-fractieleider en -lijsttrekker Brinkman commissaris was. De uitzending zelf werd fel gekritiseerd vanwege de suggestieve wijze waarop de combinatie van beeld en geluid een sfeer van verdachtmaking opriep. Bovendien was de steeds meer voorkomende samenwerking van opsporingsorganisaties en journalisten aan de orde, evenals het risico dat in mediapublikaties mensen als schuldigen worden opgevoerd op momenten waarop zij nog slechts verdachten zijn.

Uiteindelijk besloot de Raad zich vooralsnog niet te buigen over de omstreden uitzending en de naar aanleiding daarvan opgeroepen vraagstukken. Volgens voorzitter mr. P. Boukema beschikte het college over onvoldoende feitenmateriaal om een gefundeerd oordeel te kunnen geven. Bovendien heeft de Raad geen onderzoeksbevoegdheid en kan men niemand onder ede horen. Ook ging het opiniecollege niet in op de concreet voorgelegde vraag in hoeverre samenwerking tussen journalisten en opsporingsdiensten journalistiek-ethisch verantwoord is.

Sommigen verweten de Raad een gebrek aan zelfvertrouwen. NVJ-voorzitter Hopmans zei te betreuren dat de Raad niet zelf meer initiatief neemt om uitspraken te doen over journalistiek-ethische kwesties zonder dat er sprake is van een directe klacht. Overigens mag het natuurlijk niet zo zijn dat de Raad zich primair uit geldingsdrang over kwesties buigt. De importantie van de zaak zelf moet de doorslag geven.

Die importantie is er zeker in de vraag of en in hoeverre journalisten gebruik mogen maken van gestolen informatie. Waarom dus niet deze kwestie (ook) voorgelegd aan de Raad voor de Journalistiek? Natuurlijk kunnen rechter en Raad tot een ander oordeel komen. Toetst de Raad immers aan de normen van de journalistieke beroepsethiek en van journalistieke zorgvuldigheid, de rechter doet dat aan rechtsnormen.

Overigens heeft de rechter zich in het verleden incidenteel ook wel geconformeerd aan het oordeel en de overwegingen van een eerder door de Raad gedane uitspraak. Niettemin is de ethische norm niet identiek aan de juridische. Wanneer iets niet onrechtmatig wordt geoordeeld, hoeft dat nog niet te betekenen dat het ethisch aanvaardbaar is. Anderzijds kan het in uitzonderlijke situaties ethisch geboden zijn juridische grenzen te overtreden.

De Raad voor de Journalistiek heeft zich voorzover bekend nooit uitgesproken over de vraag of en onder welke voorwaarden journalisten bij hun publikaties gebruik mogen maken van onrechtmatig verkregen informatie. Ook zonder jurisprudentie moet het mogelijk zijn een aantal criteria te formuleren, zoals bijvoorbeeld de Duitse Presserat dat ook geregeld doet over een reeks van onderwerpen.

Zo lijkt mij de eerste norm te moeten zijn dat de publikatie het algemeen belang dient. Journalisten beroepen zich ter rechtvaardiging van hun handelen graag op dat argument. Zo'n beroep is terecht wanneer uit de betreffende publikatie onomstotelijk blijkt dat er bijvoorbeeld sprake is van fraude of corruptie of, in de onderhavige kwestie, dat vertrouwelijke justitiële gegevens onvoldoende worden beveiligd.

Bovendien dient in de afweging of al dan niet tot publikatie wordt overgegaan de vraag te worden betrokken of andere belangen, van derden bijvoorbeeld, worden geschaad. Een publikatie kan wel het algemeen belang dienen, maar het particuliere belang, bijvoorbeeld van politiefunctionarissen, schaden, zeker wanneer in de publikatie namen en telefoonnummers worden genoemd. Ook is het doorgaans onverstandig en onaanvaardbaar letterlijk uit vertrouwelijke informatie te citeren.

Naast beide genoemde belangen is er nóg een belang dat door journalisten nogal eens wordt veronachtzaamd, namelijk het belang van de afzender van de onrechtmatig verkregen informatie. Waarom komt een anonieme tipgever op dit moment met deze informatie naar deze journalist? Wil hij die journalist wellicht voor zijn eigen karretje spannen? Wil hij via die journalist een oude rekening vereffenen? Zo zochten de verzenders van de veelbesproken diskettes ongetwijfeld mensen die bereid bleken te helpen bij het in diskrediet brengen van justitiefunctionarissen om zo zand te strooien in de machinerie van het opsporingsapparaat. In meer algemene zin: hoe weet je als journalist dat je je niet laat misbruiken door criminele organisaties die er belang bij hebben het justitiële apparaat te ontregelen?

Alles afwegende lijkt mij de conclusie gerechtvaardigd dat het niet op voorhand volstrekt onaanvaardbaar moet worden geacht dat journalisten gebruik maken van onrechtmatig verkregen informatie, maar dat een journalist in de praktijk zich wel driemaal moet bedenken alvorens hij zich inlaat met gestolen waar. Juist omdat hij niet weet, en vaak ook niet kàn weten, welke belangen hij dient en welke hij schaadt.