Het gevaar van sport op tv

Kijken naar sportwedstrijden op de televisie is een van de meest frustrerende bezigheden waaraan een Nederlander zich kan overgeven. Waarom kijken we? Laten we eerlijk zijn: om een landgenoot te zien zegevieren. Afgelopen zondagmiddag keken 700.000 mensen naar de Davis Cup-partij tussen Richard Krajicek en Boris Becker. Hoevelen van hen zouden gekeken hebben naar een soortgelijke wedstrijd tussen bijvoorbeeld Stefan Edberg en Becker? Nog geen fractie.

Ik spreek uit ervaring. Tennis is een oude liefde van mij, maar al die op televisie uitgezonden toernooien van tegenwoordig sla ik over, tenzij een Nederlander tot de finale is doorgedrongen. Dan ontwaakt het nationalistische instinct. Een stem in mij hoor ik iets heel afschuwelijks roepen, iets wat het afgelopen weekeinde vanuit de dug-out ook voortdurend tegen de Nederlandse spelers werd geschreeuwd: “Kom op, mannen!”

Het klinkt als een noodkreet, en dat is het ook. Je ziet als het ware een heel volk boven de afgrond van een onafwendbaar bankroet bungelen. Diep in ons hart weten we dat de afloop ongetwijfeld allertreurigst zal zijn, maar we praten onszelf moed in, omdat we niet kunnen leven met de gedachte in sportief opzicht een inferieur volkje te zijn. (En Ajax dan? Ach, waar was Ajax zonder Litmanen, Kanu en George?)

Kees Jansma, de chef van Studio Sport, vertelde deze week blij en trots in de Volkskrant dat zijn afdeling met dertien mensen wordt uitgebreid en wekelijks drie extra programma's mag maken. Eindelijk erkenning voor Studio Sport: het wordt het belangrijkste wapen in de strijd met de oprukkende commerciëlen. Ik heb het snel omgerekend op jaarbasis en ik vrees dat ons dat op bijvoorbeeld dertig uur Krajicek extra komt te staan. Om nog maar te zwijgen van de duizenden kijkuren die gewijd zullen worden aan al die andere, uiteindelijk falende Nederlandse sportlieden.

Moeten we die kant op met het publieke bestel? Elke dag weer die troosteloze confrontatie met de eigen ontoereikendheid? Is het wel verstandig het moreel van een volk zo publiekelijk te laten ondergraven?

Natuurlijk, we beheersen de psychische mechanismen om de vernedering achteraf ('in terugblik', zou Van Mierlo zeggen) te bagatelliseren. Toen we van de Duitse tennissers hadden verloren, hoorde ik Mart Smeets tegen coach Stanley Franker zeggen: “De wereld vergaat niet, het is maar een wedstrijdje.”

Het was alsof ik de grond onder mijn voeten voelde wegzakken. Vijftien uur zendtijd besteden aan één sportevenement, tevoren wekenlang de suggestie wekken dat deze gebeurtenis ons leven beslissend zal beïnvloeden - en dan opeens doen alsof het maar 'een wedstrijdje' is? Dat gaat niet, dat is verraad, en we trappen er niet in. (Als we gewonnen hadden, zou Smeets de studiovloer rond de voeten van de geïnterviewde spelers met zijn tong gereinigd hebben, alvorens hen te inviteren voor een wereldwijd uit te zenden paring met de hun zo toegenegen tv-presentator.)

Nee, laten we onze ogen niet sluiten voor de consequenties van nòg meer sport op de televisie. Als ik op mijn eigen stemming na het afgelopen weekeinde mag afgaan: we zullen een gefrustreerd, verbitterd volk worden.

We hebben al te veel moeten incasseren. Ik wil niet wéér over de ontluistering van 1974 beginnen - het sportieve Versailles van Nederland -, want we zouden dat trauma allang verwerkt hebben als het daarna veel beter was gegaan. Maar dat is niet het geval. Eén Europees voetbalkampioenschap, een paar incourante schaatstitels en een verdwaalde atletiekplak hebben het gevoel van nationale malaise niet kunnen wegnemen.

Kijkend naar het Davis Cup-gedoe, maakte zich een bijna verzengend déjà vu-gevoel van mij meester. Bij elke wisseling van speelhelft zag ik Tom Okker in de dug-out zitten. Geen kwaad woord over Tom Okker. Hij was de beste tennisser die we ooit gehad hebben - maar alleen al de constatering van dat feit bevat de wortels van een diepe ontgoocheling. Tom was nooit 's werelds beste. Als het écht belangrijk werd, verloor Tom. Rod Laver en Arthur Ashe waren altijd beter.

Zo zullen Boris Becker en Michael Stich ook altijd beter zijn dan Richard Krajicek. Hij mag in Rosmalen van ze winnen, en misschien ook nog wel in Sydney, maar op Wimbledon en in de Davis Cup moet hij zijn plaats kennen.

Als Richard na afloop zijn nederlaag komt uitleggen, is hij ook helemaal Tom Okker. Hetzelfde dunne stemmetje, de eeuwige nietszeggendheden die de schande moeten verhullen.

Ik kan er niet langer tegen. Toen ik Becker en Stich elkaar zag omhelzen na het door hen gewonnen dubbelspel, brak er iets in mij. Voor het eerst van mijn leven betrapte ik me op de gedachte: was ik maar een Duitser. Dat is niet goed. Als een heel volk aan zulk defaitisme ten prooi valt, gaat het ten onder.

Nog is het niet te laat. We kunnen nog altijd besluiten minder tijd en geld te spenderen aan sport op televisie. Laten we ons richten op onze helden die wèl de hoogste internationale erkenning naderen. Op een Hugo Claus (hij schrijft toch Nederlands?), op een Ruud Lubbers, op een Herman van Veen, op een...kom, help me eens even.