Herontdekte foto's van Amerikaan VanDerZee te zien in Londen; Het rijke leven in zwarte wijk Harlem

Tentoonstelling: Fotografie van James VanDerZee, t/m 21 april Zelda Cheatle Gallery, 8 Cecil Court, WC1 Londen (metro Leicester Square). Boek 'VanDerZee, Photographer 1886-1983' door D. Willis-Braithwaite en R. Birt, uitg. Abrams / Smithsonian Institution, ¢830.

Naast de titelbladzijde van het boek 'VanDerZee Photographer 1886-1983' staat een portret ten voeten uit van de fotograaf zelf: een grote, stevige, zwarte man met een breed gezicht en een zelfverzekerde blik. Het is 1922 en James VanDerZee is na een gevarieerde loopbaan als ober, liftbediende en violist in de bloei van zijn professionele leven als fotograaf van de welvarende zwarte wijk Harlem. In talloze foto's, vooral zorgvuldig geregisseerde en gestileerde portretten, legde hij het leven vast van de zwarte Amerikaanse midden- en hogere klasse tussen de twee wereldoorlogen. Na zijn 'herontdekking' in de jaren zeventig en begin tachtig is VanDerZee als voorman van de zwarte fotografen een grote naam geworden in Amerika, aan wie de National Portrait Gallery van het Smithsonian vorig jaar een grote retrospectief besteedde. In Europa is zijn werk amper bekend, maar nu is in de Londense galerie van Zelda Cheatle een selectie van ruim vijftig van zijn foto's te zien. Veel voor een kleine galerie, maar niet zo veel voor een loopbaan die tachtig jaar omvatte en enorm wisselvallig verliep.

De jonge VanDerZee maakte al aan het begin van deze eeuw zijn eerste foto's, maar werd pas in 1911 beroepshalve bij het vak betrokken. In 1917 opende hij met zijn tweede vrouw Gaynella een eigen studio in Harlem, die toen aan de vooravond stond van een bloeiperiode die als de 'Harlem Renaissance' bekend staat. De welvaart en het zelfvertrouwen stralen van zijn portretten af, zoals bij het aantrekkelijke jonge paar in grote jassen van wasberenpels bij hun glimmende Cadillac (1932), de leden van de literaire salon The Dark Tower (1929), de vier society-dames in hun met chinoiserie volgepropte interieur (1927) of Josephine Becton, weduwe van een rijke predikant die ontvoerd en vermoord werd het jaar voordat VanDerZee, in 1934, haar portret maakte. Een heel zonderling beeld van rijkdom is de foto 'De Erfgename', van een kleine zwarte vrouw in een grote bontjas in een enorme slaapkamer - allemaal geërfd, aldus het bijschrift, van de rijke blanke familie voor wie zij jaren had gewerkt.

VanDerZee maakte in opdracht ook portretten - waar af en toe ook blanken in voorkomen - die veel over het leven in de wijk vertellen, bijvoorbeeld het honkbalteam de Black Yankees, de staf en bezoekers van een succesvolle schoonheidssalon, een aandoenlijke kindertheatergroep en vijf allerschattigste meisjes op dansles. In 1924 werd hij ook ingehuurd als fotograaf van de Universal Negro Improvement Association van Marcus Garvey, die optochten en demonstraties organiseerde die door duizenden aanhangers werden bijgewoond. (In het beeldschone boek dat het Smithsonian Institution bij de tentoonstelling publiceerde blijkt dat een van de portretten van Garvey eigendom is van filmregisseur Spike Lee). Om het beeldende effect van zijn foto's te verhogen experimenteerde hij met de techniek van de zogenaamde combinatiedruk. Door een aantal, soms wel drie of vier negatieven over elkaar af te drukken kon hij naast een trouwfoto een schim van een kindje, het toekomstige huwelijksgeluk, naast het jonge echtpaar laten verschijnen. Of liet hij op een foto van een dierbaar overledene, dezelfde persoon door het raam kijken. Het merkwaardige van deze werkstukken is dat hij de avantgardetechniek van de fotomontage gebruikte terwijl hij zijn portretten met uitgesproken ouderwetse rekwisieten uit het Victoriaanse tijdperk stoffeerde.

Het was ook deze inrichting die VanDerZee's populariteit deed dalen in de jaren na de oorlog. Daar kwam nog bij dat de middenklasse uit Harlem begon weg te trekken, waardoor alle bedrijven in de wijk het moeilijker kregen. Midden jaren zestig was het echtpaar financieel volledig aan de grond. Tot er op een decemberdag in 1967 een wonder gebeurde. Een jonge zwarte fotograaf, Reginald McGhee, die meewerkte aan de tentoonstelling 'Harlem on My Mind' voor het Metropolitan Museum, liep langs de studio en kwam even binnen om te vragen of de eigenaar beelden had van Harlem in het interbellum. Uren later vertrok hij met een doos onder de arm in de wetenschap dat hij een goudmijn had aangeboord.

Al geruime tijd voordat de tentoonstelling in 1969 open ging was er een controverse over ontstaan. De zwarte kunstenaars van de Black Emergency Cultural Coalition vonden de multi-media aanpak van het museum hun werk geen recht aandoen; de Jewish Defence League was verbolgen over vermeend anti-semitisme in de catalogusteksten. Aan de inmiddels bejaarde VanDerZee ging het conflict grotendeels voorbij, maar zijn verbintenis met McGhee leidde tot de oprichting van een VanDerZee Institute. In 1975, hij was inmiddels 89, werd hij in nog bredere kring herontdekt. Eredoctoraten vielen hem ten deel, er werd een film over hem gemaakt, hij kreeg een eenmanstentoonstelling en in 1978 trouwde hij zelfs voor de derde keer. Het werd onder vooraanstaande zwarten een rage om zich door VanDerZee in zo'n lekker oubollige decor te laten portretteren. Tot zijn klanten behoorden Bill Cosby, Muhammed Ali, Miles Davis en de kunstenaar Romare Bearden, destijds een felle tegenstander van de gewraakte tentoonstelling in het Met.

Het was onvermijdelijk dat VanDerZee, die een positief beeld van zwarten in Harlem biedt, voor het karretje van de politieke correctheid zou worden gespannen. Dat doet de zwarte historica Deborah Willis-Braithwaite in haar essay in het Smithsonian-boek. Het lijkt voor haar gewoonweg niet genoeg te zijn dat VanDerZee een bekwame commerciële en ook uiterst burgerlijke fotograaf was; zij vindt zijn foto's “reacties op de politieke en maatschappelijke omwentelingen aan het begin van de twintigste eeuw” die getuigen van “de door en door moderne sensibiliteit waarmee hij het rassenvraagstuk benaderde”. Gelukkig hoef je VanDerZee niet als een role model te beschouwen om door het venster te kijken dat zijn oeuvre opent op een, zeker in Europa, weinig bekende wereld. Natuurlijk heeft zijn werk een groot documentaire waarde, maar er is meer: hij laat ons de geportretteerden zien zoals zij zichzelf graag zagen.