Geblakerde walnootbomen getuigen van Turks offensief

DERKAR, 5 APRIL. Fawzi Ramadan, het hoofd van de middelbare school in Derkar, net over de grens met Turkije in Noord-Irak, zit thuis. Het Turkse leger zit sinds 20 maart met tanks, pantservoertuigen, vrachtwagens en helikopters in het dorp en zijn school is - evenals als de twee lagere scholen - gesloten. “De eerste drie dagen hebben de Turkse soldaten alle huizen doorzocht. Iedereen moest zijn wapens inleveren en ten minste honderd mannen werden meegenomen voor ondervraging”, vertelt hij. “Eén dorpsbewoner ligt nog steeds in het ziekenhuis omdat hij zwaar werd mishandeld.”

Derkar ligt aan de voet van de bergketens Parak en Kasrok, die in de vorm van een trechter toegang geven tot het Cudi-gebergte in Turkije, een gebied waar de separatistische Koerdische Arbeiderspartij (PKK) frequent opereert. Volgens het Turkse leger, dat 35.000 man sterk de grens is overgetrokken, zijn Derkar en de omringende dorpen belangrijke logistieke ondersteuningspunten van de Koerdische bevrijdingsorganisatie. Ramadan zegt dat er wel wat PKK-sympathisanten in Derkar woonden, met name onder de Turks-Koerdische families die vorig jaar naar Noord-Irak uitweken, maar dat de PKK-strijders zelf in de omringende bergen bivakkeerden. “Vaak kwamen ze in groepjes naar het dorp. Ze dwongen ons niet om wapens en voedsel af te geven. Ik denk dat de PKK een rijke organisatie is. Ze kóchten juist voedsel en wapens. De Koerdische boeren die in de bergen in Noord-Irak leven zijn zo arm dat ze alleen al daarom gedwongen zijn om handel te drijven met de guerrillastrijders.”

Het Turkse leger gedraagt zich redelijk, vindt hij toch. “Voordat de huiszoekingen begonnen, werden we op één plaats samengedreven. Daar werd ons door een Turkse legerman verteld dat we niet bang hoefden te zijn: ze waren juist gekomen om ons te helpen. Ze zijn nu zelfs bereid om schoolboeken, schriften en pennen voor ons te kopen en de scholen weer te openen.”

Maar in Hizawa, op nog geen kilometer afstand van Derkar, is de bevolking vooral boos. Een huis aan de rand van het dorp werd tijdens een huiszoeking beschadigd nadat in een schuurtje op het erf landmijnen waren aangetroffen. De landmijnen waren niet van de PKK, zegt Semida Zukri Hariz, maar lagen in een akker. Verontwaardigd voegt ze eraan toe dat de Turkse soldaten het wapen en 2.000 Iraakse dinar en 500 dollar hebben afgenomen van haar man, die ook nog eens voor ondervraging werd vastgezet en gemarteld.

Dieper in de bergen ligt Beshile, een nederzetting met zo'n 25 huizen die werd geraakt bij Turkse luchtaanvallen. Zwartgeblakerde fruit- en walnootbomen zijn daarvan de stille getuigen, evenals een krater in de grond. Hefsa Mohammed Emin en Mehdi Ali Tahir hangen rond bij de resten van een huis dat tot voor kort nog door vijf families werd bewoond. “De Turkse soldaten hebben het in brand gestoken na het eerst te hebben leeggeroofd”, zegt Tahir gelaten.

Pag.4: Wie helpt ons en wie is tegen ons?

Volgens de gouverneur van Dohuk, Abdullah Aziz, zijn zeker 15.000 Iraakse Koerden in de grensstreek uit hun huizen verdreven bij de omvangrijke jacht van de Turkse militairen op de PKK. “De bevolking van 51 dorpen is hetzij door de luchtaanvallen, hetzij door het optreden van het Turkse leger tijdens de huiszoekingen naar 'veiliger oorden' gevlucht.” Aziz bevestigt dat zeven schaapherders door de Turkse militairen zijn ontvoerd en doodgeschoten. Bij twee van hen, onder wie een 13-jarige jongen, waren de oren afgesneden. De Turkse operatie heeft volgens hem tot nu toe in totaal elf levens geëist onder de burgerbevolking.

Vertegenwoordigers van Westerse hulporganisaties in het gebied hebben de indruk dat de mensenrechten op grotere schaal in het geding zijn in Noord-Irak. Dat is tevens de reden waarom de Verenigde Naties nu vrijwel alle Turkse Koerden in Noord-Irak in twee kampen in Atrush, zo'n 60 kilometer landinwaarts, heeft ondergebracht, omdat deze mensen in Turkije worden aangemerkt als PKK-sympathisanten. Maar zij erkennen tegelijkertijd dat ze geen overzicht hebben over de precieze omvang van de uitwassen. Ook de internationale hulporganisaties verlaten zich grotendeels op geruchten, mede omdat delen van het bergachtige gebied waar het Turkse leger opereert, voor hen zijn afgesloten. Volgens Abdul Aziz van het informatiebureau van de Koerdische Democratische Partij (KDP) van Masoud Barzani in Zakho gaat het om vier categorieën klachten: het sluiten van dorpsscholen en het verbranden van de boeken, het vernielen van akkers door tanks en andere militaire voertuigen, het doden en verwonden van burgers en het stelen en plunderen door de soldaten tijdens de huiszoekingen. Uit Hakurk, de driehoek waar Turkije, Irak en Iran aan elkaar grenzen, komen berichten dat de vrouwen bruut zijn bejegend door de Turkse militairen, terwijl de mannen hun dorpen ontvluchtten uit angst te worden versleten voor PKK'ers.

Maar sterker nog dan de verontwaardiging over de uitwassen van het Turkse leger, is het gevoel van machteloosheid. “We hebben er geen idee meer van wie ons beschermt en wie tegen ons is”, zegt het hoofd van de middelbare school in Derkar. “Waarom komt zowel het Turkse leger als de PKK hier hun problemen uitvechten? We hebben genoeg aan onze eigen problemen: het internationale economische embargo en de nu al bijna een jaar durende gevechten tussen de KDP en de Patriottische Unie van Koerdistan (PUK).” De peshmerga's, de Iraaks-Koerdische verzetsstrijders, voelen zich in hun eer aangetast: het Turkse militaire offensief heeft genadeloos aangetoond dat ze niet in staat zijn om hun eigen bevolking te beschermen.

De oorlog tussen de KDP en de PUK verlamt het de facto onafhankelijke Noord-Irak, dat in 1992 een regionaal parlement koos en vervolgens een regering opzette, en verarmt de bevolking nog verder. De regio is feitelijk opgedeeld in een door de KDP beheerst noorden, terwijl de PUK in het zuiden opereert. Van een regionaal bestuur is geen sprake meer, alleen de PUK-vertegenwoordigers komen nog in het parlement bijeen. De regering bestaat slechts nog op papier. Bovendien probeeert het Iraakse Nationale Congres (INC), een brede bundeling van Iraakse oppositiepartijen dat over een klein leger van gedeserteerde Iraakse militairen beschikt, samen met de PUK en andere groepen ook nog eens om het bewind van Saddam Hussein omver te werpen.

Kerim Sindjari, lid van het uitvoerend comité van de KDP en tot voor kort verantwoordelijk voor de veiligheid in Noord-Irak, geeft toe dat als gevolg van de gevechten met de PUK zijn partij nauwelijks in staat is om voldoende peshmerga's in de grensstreek te houden. Maar op zijn beurt werpt hij de vraag op waarom het Turkse leger niet in staat is gebleken om de PKK te verhinderen vanuit Noord-Irak in Turkije te infiltreren.

“Zowel in 1992 als in 1993 hebben we een overeenkomst met de PKK gesloten dat die zich in Noord-Irak slechts zou beperken tot politieke activiteit”, aldus Sindjari. “Maar in de praktijk kwam daar niets van terecht.” Volgens hem willen de Iraakse Koerden niet zover gaan de PKK met geweld te verdrijven, omdat dat ten koste zou gaan van het proces van wederopbouw in de grensstreek, die in de jaren tachtig vrijwel volledig is verwoest door het bewind in Bagdad. “De Koerden in Turkije zijn onze broeders”, vertolkt het schoolhoofd in Derkar de gevoelens van menigeen in Noord-Irak. “En de PKK is een politieke partij, die strijdt voor rechten voor de Koerden in Turkije. Dat deze in een oorlog is gewikkeld met het Turkse leger, is niet onze fout.”

Volgens Kosrat Rasoul van de PUK, die zich nog steeds premier van Noord-Irak noemt, heeft Turkije het machtsvacuüm dat als gevolg van de interne strijd in de grensstreek is ontstaan, als een alibi gebruikt om de grens over te trekken. Vanuit zijn kantoor in Arbil, de hoofdstad van Iraaks Koerdistan, beschuldigt hij de KDP ervan nu met het Turkse leger samen te werken door gidsen ter beschikking te stellen, die het bergachtige gebied op hun duimpje kennen. Anderen verklaren juist dat overgelopen of gevangen genomen PKK'ers ertoe worden gedwongen de schuilplaatsen van de verzetsorganisatie, evenals de wapen- en voedseldepots aan te wijzen.

Sindjari en Rasoul, die zelf jarenlang als peshmerga's in de bergen in Irak hebben doorgebracht, zijn het over één ding eens: deze operatie leidt niet tot de eliminering van de PKK, zoals het Turkse leger zegt. De meeste Koerdische guerrillastrijders bevinden zich in Turkije zelf. Bovendien is een guerrillamacht in staat is zich op te delen en zich vervolgens weer te organiseren. De ruggegraat van een partizanenorganisatie kan niet worden gebroken met een zuiver militaire aanpak, zeker niet door een leger dat is geoefend in conventionele oorlogvoering.

In Derkar vegen Turkse militairen de bezwaren grotendeels van tafel. Ze hebben zich in de tuin van één van de lagere scholen van het dorp genesteld. Ze gebruiken alleen de keuken. De rest van het gebouw wordt door de Turkse militairen in de verf gezet en opgeknapt, om het vervolgens over te dragen aan de schoolleiding. Aan de bevolking is het voedsel uitgedeeld dat ze op de PKK hebben buitgemaakt. De commandant, Hizir Pasa zoals zijn militaire naam luidt, onderstreept dat het offensief in Noord-Irak vooral is bedoeld om te verhinderen dat de PKK haar gebruikelijke voorjaarsoperatie vanuit Noord-Irak op burger- en militaire doelen in Zuidoost-Turkije kan uitvoeren. Volgens hem is de PKK in Zuidoost-Turkije voor 80 tot 90 procent vernietigd en hangt het uiteindelijke succes af van de eliminering van de PKK in Noord-Irak. “Het kost hun zeker een jaar om weer op te bouwen wat we nu aan infrastructuur aan het vernietigen zijn.” Volgens de commandant, die verantwoordelijk is voor 40 procent van het westelijke front in Noord-Irak, hebben zijn troepen nog zeker een maand nodig om de regio volledig uit te kammen.

Een Westerse militair in Noord-Irak omschrijft het militaire offensief daarentegen als “een wanhoopsdaad”. “Turkije is gefrustreerd omdat het al ruim tien jaar bezig is om met de PKK af te rekenen. De invasie in Noord-Irak is daar een soort verlengstuk van. Maar het is onmogelijk om met een conventioneel leger een guerrilla-organisatie te vernietigen. Het wordt tijd dat Turkije leert om de problemen binnenshuis op te lossen.”