Beter slachtoffer had niet kunnen vallen

Eenmaal geslagen, nooit meer bewogen. Regie: Gerrard Verhage. Met: Ineke Veenhoven, Ariane Schlüter, Jack Wouterse. In: Amsterdam, The Movies; Utrecht, 't Hoogt; Leeuwarden, Filmhuis.

Vrijwel niets baart opzien in Eenmaal geslagen, nooit meer bewogen van Gerrard Verhage. Er wordt een hondje door het raam gesmeten en even later ligt het morsdode mormel op tafel: het is het meest extreme dat de film aan onalledaagsheid te bieden heeft. Hoewel een apotheose en een keerpunt is deze meest spectaculaire scène geen dramatisch hoogtepunt - integendeel, het drama wordt juist doorbroken. Even is er soelaas, even is er herkenbaar, begrijpelijk gedrag, even uit de haat zich in een concrete, tastbare vorm: de vernietiging door de ene van wat de ander dierbaar is.

Het is een moment van opluchting, hoezeer we ook natuurlijk te doen hebben met het arme dier. Maar voordat het in een, overigens rijkelijk overbodige slow motion door de ruiten breekt, weet de kijker nauwelijks waar Verhage en scenarioschrijver Ger Beukenkamp op uit zijn. De gewelddaad is de lang uitgebleven bevestiging van vermoedens, eindelijk weten we waartoe alle onderhuidse spanning kennelijk leiden moest. Tegelijkertijd is het resultaat bijna teleurstellend en onbevredigend: een heuse moord, op een mens, was wel het minste geweest. Zo lang in het ongewisse gelaten - en dan dit schamele kadavertje.

Toch had er, in dramatisch en stilistisch opzicht, geen beter slachtoffer kunnen vallen. Het hondje is op maat van een Hollandse traditie, in de literatuur, in de film. Vaak betiteld als lulligheid stoelt die traditie in de eerste plaats op nuchterheid en zakelijkheid. Geen monumentaliteit en overrompelend aplomb, maar het kleine en het benauwende, geen lyriek en meeslependheid, maar hoekigheid en ongemak, geen broeierigheid en mysterie, maar duidelijkheid. En dat alles onverbiddelijk consequent: dan kan het gebeuren dat die gewone burgers in de Hollandse huiskamer zich gaandeweg ontpoppen als monsterlijke karikaturen.

Bordewijk en, dichterbij, Alex van Warmerdam zijn uitgesproken exponenten van het genre dat Verhage in Eenmaal geslagen beoefent. De huiskamer in zijn film, gebaseerd op de roman La Mèche (1948) van de Belgische schrijfster Lucy Veldhuizen Marchal, maakt onderdeel uit van een groot spookachtig huis. Het wordt bewoond door een moeder, een 35-jarige zoon, zijn iets jongere zuster, en een ongeveer even oude neef. Te zamen met het huis vormen zij wat moeder noemt 'een bouwsel van onbeweeglijkheid'. Hun modus vivendi is literatuur; daar citeren ze uit, middenin hun gesprekken, en ze vullen elkaars zinnen aan. Bovendien schrijft neef aan een roman die verdacht gelijke maat houdt met de ontwikkeling in de familiale verhoudingen.

Moeder en zoon zijn de kern van het gemeenschapje, ze zijn een onneembare vesting, tot grote ergernis van zus Regina, die afwisselend kwijnt en bokt. Daarin komt verandering als Charles zijn oog laat vallen op de aan de overkant wonende apothekersweduwe, die verdacht wordt van moord op haar man. Die verdenking blijft prettig onuitgewerkt, veel erger is dat zij de status quo komt verbrijzelen. Het is dan ook haar lieveling, die moeder - teruggekeerd van een tijdelijke en vrijwillige ballingschap - door het raam keilt.

Ziedaar het verhaaltje, dat een kleine tragedie wordt met melodramatische kanten door de somber-onheilspellende fotografie van Nils Post en door het spel. Het laatste hangt lichtelijk uit het lood. Realisme heet niet de kracht te zijn van Nederlandse acteurs en het uitstekende, hyperrealistische spel van Verhages acteurs lijkt die opvatting te onderstrepen. Dit beheersen ze: die vreemde, hysterische toonzetting, de buitenissige karikatuur, de hoekige vorm. Ariane Schlüter als Regina is eigenlijk te sensueel, de bijna botte argeloosheid van Kathenka Woudenberg als de onheil brengende weduwe is beter.

Eenmaal geslagen, nooit meer bewogen is een curieuze kleine film, die op enkele momenten niet hard en strak genoeg is om perfect te zijn. De scène buitenshuis, in het ballingsoord van moeder, is overbodig. Eenheid van tijd, plaats en handeling past dit betonnen genre beter. Dat neemt niet weg dat de film goeddeels geslaagd is en de verstikkende atmosfeer ruimte laat voor geestige passages. Want die horen ook bij de nuchtere traditie: hoe genadeloos gemeen ook, echt erg wordt het allemaal nooit.