Belastingen in 2000

Omdat we aan belastingen net zo min kunnen ontkomen als aan de dood, mogen we veilig aannemen dat er ook na het magische jaar 2000 belasting wordt geheven. Vanuit die zekerheid is het leuk om eens te filosoferen over de fiscale toekomst. Met dat doel staken belastingadviseurs en belastingambtenaren vorige week eendrachtig op een symposium in Utrecht de koppen bij elkaar. Enkele wetenschappers gaven voorzetjes. Twee van hen redeneerden vanuit het optimisme dat de eeuwwisseling de opmaat vormt voor een nieuwe wereld met betere belastingen. De Rotterdamse hoogleraar Cnossen en zijn Tilburgse collega Essers schetsten ieder een eigen - vernieuwd - stelsel dat is verlost van veel bestaande wrijvingspunten. Zij voorzien een afzonderlijke fiscale behandeling voor kapitaalinkomsten en arbeidsinkomsten (Cnossen) dan wel een aparte manier van het belasten van ondernemingswinsten (Essers). Misschien overtroeven beide stelsels in theorie ons huidige systeem; bij gebrek aan een fundamentele discussie op het symposium valt daar niet zo veel over te zeggen. Maar voor een belangrijk deel gaat het om niet meer dan het verschuiven van problemen. Ernstiger is dat de aansluiting met de bestaande situatie ontbreekt.

Uitvoering van de hooggeleerde utopieën vergt een ingrijpende systeemwijziging. Die zal winnaars en verliezers opleveren. Dat stuit op twee bezwaren. In de eerste plaats leert de praktijk dat de verliezers zich met hand en tand verzetten tegen een financiële aderlating ter wille van een beter fiscaal systeem. Zo'n operatie lukt alleen als de overheid enige miljarden guldens beschikbaar heeft voor het schadeloos stellen van de verliezers. Mocht er al zo'n bedrag voor fiscale maatregelen over zijn, dan staan er nog heel wat aanpassingen van het huidige systeem op de wachtlijst waar aantrekkelijk politiek en economisch succes mee te boeken valt. Op het huidige fiscale stelsel valt veel af te dingen, maar er valt best mee te leven. Staatssecretaris Vermeend (Financiën) loopt zich daarom warm voor een reeks van oplap-maatregelen. Daar kunnen spectaculaire ingrepen tussen zitten, maar aan het bestaande raamwerk zal Vermeend niet tornen. De maatregelen worden voorbereid door gemengde werkgroepen van praktijkmensen en ambtenaren van Financiën. Dit is de nieuwste variant op de externe werkgroepen (Oort en Stevens) die weinig groots voor elkaar kregen en de eigen opzetten van Financiën (Brede Herwaardering) die ook beneden verwachting zijn gebleven.

In de tweede plaats heeft een ingrijpende systeemwijziging als bezwaar dat er na verloop van tijd toch weer nieuwe en ongedachte mogelijkheden worden geconstrueerd om het systeem te frustreren. De grote variëteit aan mogelijke rechtshandelingen, gecombineerd met een meer dan ooit open economie zetten de sluizen voor belastingontwijking wijd open. Terughoudendheid op morele gronden is er zelfs bij overheidsorganen als gemeenten niet meer bij, zodat men ook bij burgers en bedrijven ook niet op grote zelfbeperking moet rekenen.

Realistischer in zijn toekomstverwachting was de Rotterdamse hoogleraar Kogels. Die nam de huidige politieke tendensen als uitgangspunt. Hij signaleert een sterke drang om de belasting op het arbeidsinkomen te verlagen. Dat verkleint de wig tussen bruto- en nettoloon en vergroot de werkgelegenheid. Verder ziet Kogels het belastingstelsel steeds 'groener' worden. Het offer dat het milieu voor produktie moet brengen, wordt via belastingheffing een onderdeel van de kostprijs van het produkt. Dat alles versterkt de positie van de indirecte belastingen: heffingen die niet uitgaan van inkomen of winst maar zijn gekoppeld aan specifieke goederen of diensten. Te denken valt aan de BTW maar ook aan belasting op huizen of een heffing op afvalwater. De zeggenschap over dat soort belastingen heeft de centrale overheid voor een belangrijk deel uit handen gegeven. Deels aan de Europese Unie die juist op dit terrein ver is met de harmonisatie en deels aan de lagere overheden zoals gemeenten, die over de lokale heffingen gaan. Dat toekomstperspectief is niet zo aanlokkelijk. In Brussel kampt men met een stroperige besluitvorming en op het democratisch gehalte van die beslissingen valt veel af te dingen. Op gemeentelijk niveau ligt de besluitvorming dicht bij de kiezers, maar dat blijkt geen garantie voor evenwichtige belastingheffing. Bovendien blijken de gemeentelijke belastingdiensten tot strapatsen in staat die 's rijks belastingdienst in deze tijd niet meer in zijn hoofd zou halen. Vanuit de gedachte dat het in de 21e eeuw allemaal mooier wordt, zou men een helder en rechtvaardig belastingstelsel verwachten. Maar het begin van de komende eeuw zal veeleer in het teken staan van een variëteit aan belasting heffende instanties die de huidige fiscale lappendeken alleen nog maar bonter maakt.