'Wij verdedigen ons alleen maar'; Hutu's en Tutsi's geven elkaar de schuld van geweld

BUJUMBURA, 4 APRIL. Pierre is doodzenuwachtig. “Als iemand van het leger of politie me hier met u zou zien, dan staat vanavond mijn huis in Kamenge in brand”, zegt hij. Pierre is een jonge Hutu uit Kamenge, de wijk van Bujumbura waar alleen nog Hutu's wonen. De soldaten en politieagenten die patrouilleren in de door etnisch geweld getroffen woonwijken van de hoofdstad van Burundi zijn allen Tutsi.

Talrijke huizen in Kamenge gingen in vlammen op de laatste maanden. Het werk van leger, politie en Tutsi-milities, zeggen de Hutu-inwoners. “Ze proberen ons op alle mogelijke manieren te provoceren”, vertelt Pierre. “Vorige week nog. De soldaten schoten een jongen dood. We begroeven hem. De volgende dag kwamen de militairen en zeiden dat we hem begraven hadden met zijn geweer. Met een bulldozer haalden ze zijn graf open. Zo dagen ze ons uit. Als we reageren, dan gaan ze op ons schieten.”

Vele Hutu's in Kamenge bezitten wapens. Steun voor de Hutu-guerrillabeweging Intagaheka (Zij die nooit slapen) van ex-minister Leonard Nyangoma neemt er snel toe. De overwinning bij de eerste méérpartijenverkiezingen in 1993 van de Hutu-partij FRODEBU had een einde moeten maken aan de systematische achterstelling en repressie van de Hutu's door de Tutsi-minderheid. Een vreedzame oplossing van een eeuwenoud probleem bleek echter niet meer mogelijk, de messen waren al te scherp geslepen.

Het gevoel van bevrijding onder de Hutu-meerderheid na de electorale zege in 1993 sloeg om in bitterheid en woede toen enkele maanden later al militairen probeerden het democratisch gekozen regime omver te gooien. Hutu's namen wraak op Tutsi's, daarna de Tutsi's op Hutu's. De angstige Tutsi-bevolking verenigde zich achter het leger, Hutu's raakten overmand door wraakgevoelens en radicaliseerden. Pierre erkent dat Hutu-guerrillastrijders ook actief zijn in Kamenge. “Maar waarom zoekt het leger nooit naar wapens in Tutsi-wijken, alsof alleen wíj ons bewapenen”, zegt hij kwaad. “Waarom mogen Tutsi's ongestraft onze huizen plunderen, waarom vuren tanks van het regeringsleger op onze woningen?”

Een geheel andere versie van de werkelijkheid in Burundi geven leden van de Tutsi-militie Sans Échec in de woonwijk Bwiza. Deze wijk werd bij ongeregeldheden ruim een week geleden gezuiverd van de laatste Hutu's en is nu een vrijwel exclusieve Tutsi-buurt. De talrijke zwartgeblakerde, geplunderde of ingestorte huizen in Bwiza waren van Hutu's. “FRODEBU bewapende de Hutu's”, vertelt Thomas Ntisambeba. “De Hutu's willen het Tutsi-ras uitmoorden, net als ze in Ruanda hebben gedaan. Wij doen niet meer dan ons verdedigen”.

De leden van Sans Échec beschikken niet over wapens, beweert Thomas. “We hebben alleen lasso's”. Mijn sceptische blik zet zijn militievriend Eric Didier Shumbusho aan tot iets meer openheid. “Nou ja, we vinden wel eens een geweer in een huis van Hutu's.” En dan: “Granaten, ach ach, die kan je overal in de stad krijgen, het is net alsof je een snoepje gaat kopen.” En het regeringsleger? “De soldaten beschermen ons Tutsi's”, zegt Eric cryptisch. “Wat moeten wij doen als wij Tutsi's er alleen voorstaan? Wat verwacht u anders?”

De tribale milities in Bujumbura komen voort uit ordinaire straatbendes die altijd armoede en verveling hebben bestreden door geweld. Vroeger opereerden leden van beide etnische groepen tezamen in dergelijke bendes. Tot de etnische spanningen in het land na de verkiezingen in 1993 tot het kookpunt opliepen en extremistische politici grip kregen op deze jonge criminelen. Vroeger droegen de Tutsi-straatbendes verscheidene namen als Sans Condome of Sans Esprit. Een bekende Hutu-bende was Chicago Bulls. De Hutu's verenigen zich nu onder Intagaheka, de Tutsi's in Sans Échec.

Thomas woonde in Kamenge. “Na de verkiezingsoverwinning begon de nieuwe regering overheidsbanen te geven aan Hutu's en Tutsi's werden ontslagen. Zo raakte ik mijn werk kwijt”, zegt hij bitter. “Vervolgens verdreven ze ons Tutsi's uit Kamenge, ze begonnen ons te vermoorden en hakten armen en benen van Tutsi's af. De Hutu's vertelden ons dat ze alle Tutsi's zouden opeten.”

Opnieuw begint hij over de volkerenmoord onder de Tutsi's vorig jaar in Ruanda. Een jochie van twaalf jaar voegt zich bij ons. Ook hij behoort tot Sans Échec. “Begrijpt u nu waarom we ons moeten organiseren en verdedigen?”, zegt Thomas als hij de jongen naar zich toetrekt en met hem begint te stoeien.

Heeft Thomas gedood? Daar wil hij eerst geen antwoord op geven. “We verdedigen ons”, begint hij weer. Na veel aandringen zegt zijn vriend: “Ik dood, ja als ze ons aanvallen.” Hij wil wel toegeven dat ook onschuldige Hutu's zijn vermoord “als ze wegvluchten met Hutu-guerrillastrijders”. En dan, met grote strijdvaardigheid: “Wij staan klaar voor een oorlog. Als het moet, zullen we met messen vechten. Wij Tutsi's, we zijn krijgers. We kunnen vechten, laten de Hutu's dat vooral nooit vergeten.”