Wij moeten met de tram

Hollands Maandblad 1995-3. Veen, 41 blz. ƒ 9,25

“De staat van onze beschaving laat zich vaststellen aan het feit dat een groeiend aantal mensen over steeds meer onderwerpen steeds minder te zeggen heeft. - Is dat erg? Neen, in het geheel niet.” Redacteur Bastiaan Bommeljé weer op dreef in Hollands Maandblad. De thermometer van de Nederlandse beschaving is volgens Bommeljé het openbaar vervoer, en daaraan is dan ook het nieuwe nummer gewijd.

H.J.A. Hofland geeft de aanzet tot een 'filosofie van het openbaar vervoer', immers “met het openbaar vervoer zijn het humeur en de broodwinning van miljoenen gemoeid. De welvaart van deze en komende generaties zijn er regelrecht van afhankelijk. Het openbaar vervoer is verbonden met de diepste wortels van ons bestaan.” Hofland, die de zelfstandige automobilist laatdunkend betiteld als 'galeislaaf' wegens zijn afhankelijkheid van het voertuig, probeert stads- en landsbestuurders ertoe te bewegen eens de tram te pakken. “Het menselijk voorstellingsvermogen is gebrekkig. Vaak moet men iets herhaaldelijk met eigen ogen zien voor men het wil geloven; en zo belemmeren misschien de muren van raadszaal en directeurs- en burgemeesterskamer de blik op een van -in beginsel- de mooiste instituten die de moderne stadsbeschaving rijk is: dat van het openbaar vervoer.”

Jaap van Heerden bejubelt vooral de veiligheid van het openbaar vervoer (“Je moet oppassen voor voetbalsupporters en getergde Molukkers. Ik zou graag zien dat deze groepen voortaan samen reisden. Maar in de trein vinden geen criminele afrekeningen plaats”); economisch geograaf Ton van Rietbergen zorgt in zijn zakelijke bijdrage voor het schokeffect: “De modale Nederlander legde rond 1850 niet meer dan veertig kilometer per jaar af”. Nu is dat dertienduizend kilometer. In 1961 waren er in Nederland ruim zeshonderdduizend auto's, nu zes miljoen. Peter Wesly vindt het openbaar vervoer beschaafder dan 'de ooit deftige maar nu onuitsprekelijk vulgaire auto' en breidt het thema uit met openbaar vervoer in de cyberruimte: het Internet, en komt dan tot deze uitspraak: “Een Internetreisje verhoudt zich tot een stadsslentering als literatuur tot beeldende kunst”.

'Meisjes, zorgt dat men u blijft respecteren!' stond niet eens zo lang geleden op bordjes in de Haagse tram, naast voor mannen bestemde vermaningen als 'Niet spuwen!' Rineke van Daalen onderzocht klachten van passagiers en conducteurs uit 1910 om ze te vergelijken met hedendaagse voorbeelden van wrijving, en tot de voorspelbare conclusie te komen dat het er tegenwoordig grover en grimmiger aan toe gaat.

Bommeljé las voor de rubriek 'Toets der kritiek' de recensies van Eco's Het eiland van de duisternis. Hij is de begrijpende maar kritische ouder: de dag- en weekbladcriticus heeft het weliswaar moeilijk ('moet op journalistieke snelheid over een Belangrijk Boek snel een Manifeste Mening vormen en die ook nog met enig Letterkundig Gezag opschrijven') maar het ontbreekt al te vaak aan duidelijke argumenten. “De slotsom is ook deze maand duidelijk: in Nederland wordt met slaafse onderdanigheid tegen de literatuur en de literatuurkritiek aangekeken. Veel te weinig mensen durven daardoor aan schrijver of aan criticus te vragen: 'Wat bedoelt u eigenlijk?'.”