Tsjechië gevangen tussen laissez faire en staatsbemoeienis

Via de vier grootste banken heeft de staat in Tsjechië nog steeds een grote greep op het bedrijfsleven. Belangrijke privatiseringen worden uitgesteld. Premier Václav Klaus schermt graag met de 'onzichtbare hand van de markt'. Maar de Homo politicus Klaus deinst terug voor de Darwiniaanse 'survival of the fittest'.

In het gebouw van het voormalige federale parlement in Praag waren ze kortgeleden, op de receptie van het European banking & financing Forum, allemaal bij elkaar, de vertegenwoordigers van de haute finance van Tsjechië: de directeur van de grootste bank, de directeuren van investeringsfondsen, die van de monopolies, van het elektriciteitsbedrijf, van de luchtvaartmaatschappij, van SPT Telecom, van Chemapol, de grootste oliedistributeur. En buiten het gebouw stonden hun limousines, groot, glanzend, smetteloos gepoetst. Een lust voor het oog, zo'n spierwitte Rolls Royce. Jammer alleen dat de belettering van de Tsjechische nummerplaat nog steeds wat benepen aandoet.

De bankiers in Tsjechië gedragen zich, zo klaagde onlangs de Tsjechische premier, Václav Klaus, alsof ze op een andere planeet leven, op Mars, of in Wall Street. Ze dragen “vlinderdasjes en roken dikke sigaren als Paul Volcker” (de vroegere president van de Amerikaans Federal Reserve Bank). De verwijzing naar de aloude karikaturen van het kapitalisme was natuurlijk gekscherend bedoeld, maar raakt wel een van de dilemma's waarvoor de Tsjechische bankmanagers zich zien geplaatst. Hoe onafhankelijk kan het bankmanagement eigenlijk zijn in een land waar vrijwel alle financiële belangengroepen nog zo sterk verstrengeld zijn met de belangen van de staat? Met andere woorden: hoe verantwoordelijk zijn banken om kwijnende bedrijven hulp te bieden?

De directeur van de grootste Tsjechische bank, Richard Salzmann, die inderdaad meestal een vlinderdasje draagt, legde die vraag vorige maand voor aan de Amerikaanse hoogleraar Gary Becker, in 1992 winnaar van de Nobelprijs voor economie. Becker wordt beschouwd als een van de belangrijkste theoretici van het laissez-faire kapitalisme van de zogeheten Chicago School en werd ooit door Milton Friedman zelf 'de beste van zijn generatie' genoemd. Beckers antwoord op Salzmanns vraag of banken veel risico mogen nemen was maar voor één uitleg vatbaar: banken moeten het belang van hun aandeelhouders in de gaten houden.

In de Tsjechische context is dat antwoord echter niet zo eenduidig: het betekent namelijk dat Tsjechische banken het staatsbelang wel degelijk moet meewegen. Immers, via het NPF (fonds voor het nationaal bezit) heeft de staat een meerderheidsaandeel in de vier grootste banken van het land. Vandaar dat een man als Salzmann zich er wel eens aan ergert wanneer Klaus, de kampioen van de 'markteconomie zonder adjectieven', de bankiers weer eens de les leest en hen ervan beticht dat ze de rentetarieven te hoog houden en te weinig risico's willen nemen om het transformatieproces te steunen.

De complimenten van Gary Becker voor Klaus logen er overigens niet om, tijdens een recente discussie in Praag over de rol van de staat in de economie. “Ik heb groot respect”, zo zei Becker, “voor Václav Klaus, de snelheid waarmee de overgang van een communistische commando- naar een kapitalistische markteconomie zich in Tsjechië voltrekt is enorm, de hele wereld is vol bewondering.” De Tsjechische premier, die ook aan de tafel zat, nam de hem toegezwaaide lof minzaam in ontvangst, bracht de mooie tennismiddag in herinnering die hij ooit met Becker en Friedman in Vancouver had gehad, en retourneerde de complimenten op elegante wijze door te zeggen “dat wij al twintig jaar geleden wisten dat Gary gelijk had”.

Twintig jaar geleden waren Klaus en andere prominente politici in de huidige Tsjechische republiek nog onbekende wetenschppelijke medewerkers op het schimmige Instituut voor prognostiek, een instelling waar economische modellen werden onderzocht die als alternatieven konden dienen voor de hopeloos in het slop geraakte communistische commando-economie van het toenmalige Tsjechoslowakije. Al in 1976 vertaalde Tomás Jezek, de latere minister van privatisering, Beckers artikel “De economische benadering van menselijk gedrag” in het Tsjechisch en verspreidde dat artikel in samizdat-vorm. Want het was duidelijk dat Beckers ideeën, die ervan uitgaan dat mensen rationele wezens zijn die zich in alle aspecten van hun gedrag laten leiden door rationele overwegingen, op groot verzet van de communistische autoriteiten zouden stuiten.

Intussen is Václav Klaus premier en zelf hoogste uitvoerende autoriteit in een land dat sinds 1989 bezig is zich te bevrijden van de wurgende banden van de staatsmonopolies. Het is vooral de premier die voortdurend waarschuwt voor de gevaren van interventionisme, voor teveel staatsbemoeienis. Hij is er voorstander van zoveel mogelijk taken van de staat, de gezondheidszorg, het onderwijs in meer of mindere mate te privatiseren. Maar aan de andere kant: hoe is het toch te verklaren - anders dan uit interventionisme op de achtergrond - dat de privatisering van een aantal strategische industrieën in de Tsjechische republiek voortdurend wordt uitgesteld? Zelfs de verkoop van een 27 procentsaandeel in SPT Telecom aan buitenlandse belangstellenden, van vitaal belang voor verbetering van het hopeloos verouderde telefoonnet, lijkt steeds verder te worden opgeschoven.

Na de kleine privatisering - de verkoop aan de meest biedende van de kleine staatswinkels, -kiosken, -restaurants - werd in 1992 begonnen met de voucherprivatisering, de gedurfde poging om de marktprijs te bepalen van alle grote af te stoten staatsbedrijven. Via enkele rondes van loven en bieden zouden die ondernemingen - voor het merendeel beladen met schulden, met verouderde machineparken en met teveel personeel - worden overgedragen aan de couponbezitters, dat betekent aan de meer dan zes miljoen Tsjechen die voucherboekjes hadden aangeschaft. Elke Tsjech had immers de kans gekregen om voor een nominaal bedrag, duizend kronen (ruim zestig gulden), evenzoveel voucherpunten te kopen die hij kon uitdelen aan een bedrijf waarvan hij aandeelhouder wilde worden. In twee grote 'privatiseringsgolven' zijn op die manier bijna tweeduizend staatsbedrijven theoretisch in particuliere handen overgegaan.

Maar wie zijn eigenlijk de nieuwe eigenaars van die voormalige staatsbedrijven en hoe oefenen de aandeelhouders invloed uit op het beleid dat de geprivatiseerde ondernemingen voeren? De meeste Tsjechen hebben hun voucherpunten overgedaan aan een van de 300 investeringsfondsen, die daardoor het beheer kregen over grote pakketten aandelen. Volgens sommige kritici zijn er teveel van die fondsen, hebben ze óf te veel verschillende soorten aandelen in portefeuille, óf juist teveel van dezelfde soort. Andere couponbezitters, geschat wordt ongeveer een derde van de zes miljoen, hebben hun aandelen inmiddels met winst verkocht en doen niet meer mee met het aandelenspel. De grootste investeringsfondsen zijn in bezit van de grootste banken en hoewel bank- en investeringsactiviteiten officieel strikt gescheiden zijn heeft vrijwel elke Tsjech daar zo zijn bedenkingen over.

Ivo Vlacek bijvoorbeeld, een Tsjech die werkt bij een van de talloze westerse accountancy- en consultancybedrijven in Praag, gelooft er niet erg in. “De verstrengeling van de belangen is overduidelijk en ligt ook voor de hand: de Tsjechische staat heeft een meerderheidsbelang in de vier grootste banken van het land. Indirect heeft de staat daardoor ook grote invloed op wat er met de geprivatiseerde bedrijven gebeurt.”

Vlacek verduidelijkt dat aan de hand van een voorbeeld: “Het NPF, de door de regering in het leven geroepen organisatie die de privatisering bestiert, is in veel gevallen nog de grootste aandeelhouder in voormalige staatsbedrijven. Naar aandeelhoudersvergaderingen van in theorie geprivatiseerde bedrijven worden nog steeds dezelfde ministeriële ambtenaren gestuurd die vroeger ook al betrokken waren bij een bepaald staatsbedrijf, mensen die in het algemeen geen flauw benul hebben van management. Bovendien is de general manager dan ook nog vaak dezelfde persoon als de voorzitter van de raad van commissarissen.”

Dank zij de voucherprivatisering en de daaruit voortvloeiende verstrengeling van banken en privatiseringsfondsen zijn de banken terechtgekomen in een schizofrene situatie, vindt ook de leider van de grootste Tsjechische oppositiepartij, Milos Zeman van de Tsjechische sociaal-democratische partij. In een interview met het onafhankelijke dagblad Lidové Noviny (de krant waarin de Tsjechische premier zelf overigens een wekelijkse column heeft), betoogt Zeman dat banken zowel eigenaars als financiers zijn. “Ze zijn verantwoordelijk voor de economische resultaten van bedrijven die ze in feite bezitten en tegelijkertijd moeten ze die bedrijven steunen met leningen.” De voucherprivatisering heeft er volgens Zeman dan ook volstrekt niet toe geleid dat er een 'klasse van gemotiveerde bezitters' is ontstaan, integendeel, ze biedt kansen aan “allerlei verdachte instellingen die meer geïnteresseerd zijn in het plunderen van het bezit van hun bedrijven”. Zeman: “Het merendeel van de investeringsfondsen is eigendom van de banken en de staat heeft een aanzienlijk aandeel in grote banken en dat heet dan allemaal denationalisering. Dat is absurd.”

Dat de Tsjechische economie nog steeds niet helemaal functioneert volgens het door Klaus zo graag aangehaalde principe van de 'onzichtbare hand van de markt', wordt ook geïllustreerd door het feit dat de wet op het bankroet nog steeds zo weinig faillissementen heeft opgeleverd. Als banken alleen hun zuivere eigen belang voor ogen zouden hebben, dan zouden ze allang veel meer gebruik van die wet hebben gemaakt om slecht lopende, insolvente bedrijven aan wie ze geld hebben geleend failliet te laten verklaren. In plaats daarvan functioneren de banken eigenlijk vaak nog als een soort financieel regelmechanisme van de staat, doordat ze geld blijven lenen aan ondernemingen die hun financiële verplichtingen niet kunnen nakomen en allang geliquideerd hadden moeten zijn. Dat heeft enerzijds tot gevolg dat er in Tsjechië nog steeds geen massa-ontslagen zijn voorgekomen, zoals in andere Oosteuropese landen, maar anderzijds dat Tsjechische banken steeds voorzichtiger zijn geworden met het verstrekken van krediet aan nieuwe bedrijven en ondernemersinitiatieven.

Op de Praagse aandelenmarkt (PSE) is die malaise ook merkbaar. De beurs is nu twee jaar oud en beleefde ongeveer een jaar geleden een enorme, vooral speculatieve hausse. Sinds die tijd is de activiteit steeds verder verminderd, de prijzen van de aandelen zijn gekelderd en de beursindex is het punt waarop ze is begonnen al gevaarlijk dicht genaderd. Nieuwe emissies zijn er nauwelijks. “De liquiditeit van de Praagse beurs wordt voor een belangrijk deel geabsorbeerd door staatspapier en andere obligaties”, klaagde de heer Skolout, een van de directeuren van de Praagse beurs op het bankforum. “De handel stagneert. In het begin was de motivatie groot, de ervaring echter gering, er is veel gespeculeerd, en daarna ging men weg.” Volgens Skolout is de stagnatie van de beurs vooral een gevolg van de grote staatsbemoeienis.

Naast de PSE is er nog een tweede aandelenmarkt, het RM-System. Die markt is spontaan ontstaan als gevolg van het feit dat alle gegevens van de bezitters van voucherboekjes via de computer werden verwerkt. De handel in niet bij de PSE genoteerde fondsen is veel levendiger en de prijzen zijn op deze 'over-the-counter'-markt ook veel hoger. Zeventig procent van de totale aandelenhandel heeft daar plaats, wat niet erg bevorderlijk is voor de doorzichtigheid van de aandelenmarkt. En juist dat is wat institutionele belggers vragen.

Pierre Daviron, voorzitter van Oppenheimer Capital International in New York, vindt dan ook dat er van een duidelijke markt in Tsjechië nog eigenlijk helemaal geen sprake is: “Er is een aantal min of meer geprivatiseerde ondernemingen. Vele daarvan hebben nog geen coherente strategie, ze zijn op zoek naar een niche in de markt. Het Tsjechische bedrijfsleven zit nog in een Darwiniaanse fase: een groot aantal bedrijven zal ten onder gaan, moeten fuseren of overgenomen worden.”

Het gaat, met andere woorden, om de 'survival of the fittest'. Maar of de Tsjechische premier, de zo oplettende leerling van Friedman en Becker, bereid is om dat principe in al zijn consequenties door te voeren in zijn economische politiek, is verre van duidelijk. Vaak lijkt het erop dat de Homo politicus in conflict is met de Homo economicus Klaus.