'Soms voel ik me net Van Gend & Loos'

De stichting Trajekt, het vroegere tafeltje-dek-je, brengt in Maastricht maaltijden rond voor bejaarden. Daarnaast verzorgt de stichting warme maaltijden voor bejaarden die naar een 'eetpunt', bijvoorbeeld een bejaardentehuis, komen. Om de eenzaamheid te doorbreken probeert de stichting de bejaarden zoveel mogelijk naar zo'n eetpunt te halen. “Maar negen van de tien mensen willen hun warme eten thuis laten bezorgen.”

Hij durft niet meer naar zijn kinderen in het westen van het land te reizen. Want het afgelopen jaar is hij twee keer, midden in de nacht, in een ambulance met gierende banden en zwaailicht naar het ziekenhuis in Maastricht gebracht. Lekkende hartkleppen. “Stel je voor dat ik in Den Haag logeer en ik krijg een hartaanval”, zegt hij en slaat zijn ogen op naar het plafond.

Zijn kinderen hebben drukke banen, terwijl gezin en vrienden de rest van hun tijd opslurpen. De woning van hun vader, een koopflat in de Maastrichtse wijk Mariaberg, is ver weg. Vanaf Den Haag zitten ze al gauw drie uur in de trein. Dus loopt vader een paar keer per week zelf een rondje om de flat - zijn manier om een frisse neus te halen. Hij gaat niet te ver weg, want soms wordt hij duizelig van de medicijnen.

Opgewekt had de man opengedaan en de bruine doos met warm eten aangepakt, die dagelijks wordt gebracht door een vrijwilliger van de Maaltijdvoorziening Maastricht, het vroegere 'tafeltje-dek-je'. Zelf koken kan hij nauwelijks. Bovendien volgt hij een zoutloos dieet. Na het openen van de deur maakte hij een praatje met de vrijwilliger, meneer Van Wetering. Die had hem vorig jaar nog geholpen, toen hij op aanraden van een juffrouw in de supermarkt een potje had gekocht dat een goede vervanger voor zout zou bevatten. Van Wetering had het potje eens bekeken, het woord natrium erop gelezen en het in de vuilnisbak gegooid.

Leo van Wetering (74) brengt sinds 1986 maaltijden voor ouderen rond. Vroeger deed hij dat voor tafeltje-dek-je, tegenwoordig vallen de maaltijden onder de verantwoordelijkheid van de Stichting Trajekt, een samenwerkingsverband van vijf maatschappelijke instellingen in Maastricht. Het liefst rijdt hij deze route door Mariaberg. Dan moet hij in één uur zes maaltijden rondbrengen, en houdt hij tijd over voor een praatje, het indraaien van een lamp of het lezen van de bijsluiters van medicijnen. Gisteren viel hij voor een andere vrijwilliger in. Toen moest hij samen met een collega 23 warme maaltijden binnen het uur afgeven. “Dan voel ik me net Van Gend & Loos. Afgeven en wegwezen. Je raakt al geïrriteerd als de mensen hun doos met de borden en het bestek van de vorige dag niet klaar hebben staan.”

Mariaberg is een vergrijzende wijk in Maastricht; 20 procent van de bevolking is 65 jaar of ouder. De wijk is ook niet al te welvarend, 56 procent van de bevolking heeft een inkomen op minimum-niveau en van de bewoners tussen de 15 en 65 jaar met een inkomen heeft 41 procent een uitkering als belangrijkste inkomensbron. Per dag brengt de Stichting Trajekt bijna 250 maaltijden in Maastricht rond. Daarnaast bereidt de stichting nog zo'n 160 warme maaltijden voor bejaarden die naar een 'eetpunt', bijvoorbeeld een bejaardentehuis, komen. De stichting probeert de bejaarden zoveel mogelijk naar een eetpunt te halen: het doorbreekt de spiraal der eenzaamheid waarin veel ouderen zijn gevangen.

Probleemwijk of niet, zegt coördinator Godfried Wigman van de Stichting Trajekt, eenzaamheid is het grootste probleem. Het leidt vaak tot lichamelijke en geestelijke klachten. Natuurlijk is het niet zo dat wie naar een eetpunt gaat minder snel griep krijgt, maar contact met anderen verbetert wel de conditie. De oudere moet zich immers netjes aankleden, zich scheren, het haar fatsoeneren. Bovendien komt de bejaarde via de eetpunten weer met andere activiteiten in aanraking: een handwerkclub, een kaartavond.

De bejaarden zelf denken daar anders over. “Negen van de tien mensen willen hun warme eten thuis laten bezorgen”, aldus Wigman. Eigenlijk kunnen alleen mensen met een 'medische indicatie' het eten thuis krijgen. Die man met het oorlogssyndroom bijvoorbeeld, die de zaal van het bejaardentehuis niet binnen durft te gaan, omdat er zo veel mensen zitten. “Of gehandicapten die zo zitten te knoeien dat je het de overige tafelgenoten niet aan kunt doen.” Maar Wigman begrijpt dat hij de mensen niet kan dwingen naar een eetpunt te gaan. “Bovendien, wie zijn wij dat we vinden dat ze de deur uit moeten?”

In de keuken staat een kleine gepensioneerde onderwijzeres tegen het aanrecht geleund. De 'medische indicatie' is haar aan te zien; de kuiten zijn dik en de kousevoeten zo opgezwollen dat ze alleen nog in sandalen met brede riempjes passen. Ze schuifelt naar de tafel waar de doos met dampend eten is neergezet. Acht augustus is het elf jaar geleden dat ze van Den Haag naar Maastricht verhuisde, want “de Limburgers zijn zo aardig”. Vijf april is het vijf jaar geleden dat ze haar eerste maaltijd van tafeltje-dek-je ontving. Naar buiten gaat ze nauwelijks en ze wijst op haar voeten. Ze heeft een hekel aan het verenigingsleven, al die mensen. Haar vriendinnen wonen in de flat. Daar heeft ze genoeg aan.

Met in de achterbak van zijn auto nog vijf maaltijden vervolgt Van Wetering zijn route. Bij een klein wit huisje (“deze woningen zijn in 1945 gebouwd en zouden er tijdelijk staan, ze zijn nooit meer weggehaald”) houdt hij stil. Deze vrouw ontvangt vandaag voor het eerst haar eten van de maaltijdvoorziening. Puffend komt Van Wetering enkele minuten later bij de auto. “Dat scheelde weinig. Die vrouw dacht een gekoelde maaltijd te krijgen en wilde het eten met bakje en al in de magnetron zetten. Gelukkig heb ik haar tegengehouden. Straks smelt het bakje of explodeert de hele boel!”

Coördinator Wigman komt ze vaker tegen: bejaarden die de zaak niet meer op een rij hebben staan, nog maar moeilijk zelfstandig kunnen leven. Maar ja, gebaart hij, wat wil je? Decennia geleden gingen oude mensen naar een bejaardentehuis en hun zieke leeftijdgenoten naar een verpleegtehuis. “Maar wat vroeger naar een verpleegtehuis ging, gaat nu naar een bejaardenoord.” Het gevolg is dat veel bejaarden gedwongen zijn zelfstandig te blijven wonen. De cijfers laten het zien. In 1993 telden de bejaardenoorden in Nederland 124.087 plaatsen; 5,2 procent van de Nederlandse bevolking van 65 jaar en ouder woonde in zo'n tehuis. In 1985 was dat nog 7,7 procent.

Bejaarden kunnen wel langer zelfstandig blijven, meent Wigman, mits ze beschikken over voldoende voorzieningen. In de grotere steden is dat wel geregeld. Maastricht bijvoorbeeld telt zeven werknemers in dienst van de Stichting Trajekt die zich bezighouden met de maaltijdvoorziening en meer dan vijftig vrijwilligers die in zes busjes en een aantal personenwagens het eten rondbrengen. Maaltijdvoorziening Maastricht draait een miljoen gulden omzet per jaar, inclusief enkele maaltijden aan lichamelijk gehandicapten.

In kleinere plaatsen constateert Wigman een andere gang van zaken. “Daar hebben gemeenten vaak één ouderenwerker in dienst. Zij bezoekt de mensen thuis, tikt verslagen op een oude typemachine, plakt alle postzegels zelf en als ze naar het toilet moet, wordt de ouderentelefoon niet opgenomen. Ik vraag me wel eens of hoe ze dat klaarspeelt. Wij doen een mailing op de post, daar moet de ouderenwerker de brieven nog op de fiets rondbrengen. Kostenbesparing, zegt zo'n gemeente dan.”

Ze staat in de deuropening met een vestje stijf om haar schouders getrokken. Vijf dagen in de week ontvangt ze haar eten van de Stichting Trajekt. In de weekeinden zorgt haar zoon voor haar. Bij het beantwoorden van zoveel vragen begint ze te trillen, en gluurt ze als een verschrikt vogeltje door haar zware hoornen bril. “Kom mee”, zegt Van Wetering. Op de galerij fluistert hij: “Zwaar hartpatiënte.”

In zijn 9-jarige loopbaan als vrijwilliger heeft Van Wetering slechts één keer een bejaarde bewusteloos aangetroffen. “Ik heb de dokter gebeld, gewacht tot de ambulance arriveerde en toen het eten verder rondgebracht.” Gisteren trof hij een man aan die zichzelf temidden van een puinhoop overeind probeerde te houden. “Wil je hem eens zien”, vraagt hij en geeft een ruk aan het stuur van zijn auto.

De man die opendoet is in de zeventig, klein. Hij draagt een verkleurd spijkerjasje. Hij gaat Van Wetering voor door de kelder, gooit dozen uit het gangpad in de hoek, schopt een zak appels aan de kant, schuift houtkrullen met een achteloos gebaar van tafel. Nadat zijn vrouw vorig jaar overleed, is hij “lid geworden van tafeltje-dek-je”. Koken kan hij niet; toen zijn vrouw ziek was, reed hij iedere avond naar de snackbar voor een zak frieten. Inmiddels kan hij een gebakken ei met spek maken.

“Tsja”, zegt coördinator Wigman, “we zijn geen maatschappelijk werkers. Soms treffen we wel eens mensen sterk vervuild aan. Dan bellen we familie, politie of lichten we de Riagg in. Meer kunnen we niet doen.” Maar iedere keer breken zulke gevallen Wigmans hart. Zoals op eerste kerstdag 1993. De politie belde of de stichting nog eten had voor een oude vrouw, alleen in haar huis met een lege koelkast en een hond die zijn behoefte in alle hoeken van de kamer had gedaan.

Eenzaamheid mag dan het grootste probleem onder ouderen zijn, het wordt op de voet gevolgd door geld. “Negen gulden voor een maaltijd, inclusief voorgerecht en toetje noem ik niet goedkoop”, zegt Wigman. Hij ziet bejaarden bezuinigen op het eten, ze nemen twee keer in de week een warme maaltijd of laten bij een prijsverhoging soep en yoghurt met vruchten achterwege. Inmiddels is in Maastricht een discussie op gang gekomen over 'inkomensafhankelijke maaltijdvoorziening'. Wigman is daar een voorstander van, anderen menen dat ze - in de woorden van de coördinator - “net als Albert Heijn een produkt verkopen en het verschil tussen rijk en arm niet kunnen oplossen”. In het huidige systeem kunnen bejaarden met een minimale AOW-uitkering (1.655,32 gulden netto per maand voor een echtpaar ouder dan 65 jaar) al wel een deel van hun maaltijd declareren bij de gemeente. Maar het geld moeten ze eerst zelf voorschieten.

De overheid moet ouderen die dat nodig hebben, hulp bieden en andere bejaarden minder betuttelen, meent Wigman. Hij kan zich er vreselijk aan ergeren dat bejaarden worden behandeld als patiënten, niet als mensen. Sporadisch begint dat besef door te breken en probeert men bejaarden op een volwassen manier te behandelen. Zoals de knoppenwinkel in Heerlen, waar ouderen leren video's in te stellen, de magnetron te bedienen en nieuwe nummers in het geheugen van hun telefoon te toetsen.

De oude man moet niets van al die nieuwigheid hebben. In zijn twee-kamerflat woont hij in het verleden, tussen schilderijen van jonge vrouwen met ontblote borsten of een stola om. Voor een schilderij van drie meisjes staat een grote stoel. “Dat zijn mijn droommeisjes”, zegt hij. “'s Middags ga ik zitten en naar hen kijken. Dan val ik in slaap en droom over hen. Ja, alleen dromen, dat andere kan ik al lang niet meer.” Meneer Van Wetering schudt hem de hand, wenst hem smakelijk eten. Hij loopt de galerij af. Buiten opent hij zijn kofferbak om de lege doos met het bestek van de vorige dag neer te zetten. Dan zegt hij: “Weet je, ik ben vierenzeventig. Ik prijs iedere dag dat ik dit nog kan doen.”