Soldaat

De dood kwam ons buurtcafé binnen, een jaar of twaalf geleden, in de vorm van een Engelse jongen in een camouflagepak, die vertelde dat hij in de Falkland-oorlog gevochten had. Het was hard geweest en hij had mensen gedood, zei hij. Ik geloofde hem niet helemaal. Iedereen kon wel zo'n pak aantrekken om indruk te maken. Ik vond hem wat te stellig over dat doden. Hoe wist hij dat eigenlijk? Soldaten schieten er meestal maar wat op los, ze kunnen vermoeden dat er aan de andere kant mensen sneuvelen, maar of het de eigen kogel is die doel heeft getroffen, valt moeilijk uit te maken. Maar dat nam niet weg dat ik graag naar de jongen luisterde, zoals iedereen in het café. Binnen een paar minuten was hij een eregast geworden, met een kring van bewonderaars om hem heen die zijn drankjes bestelden. Toen hij uitgepraat was en weer wegliep, ging er een meisje met hem mee dat graag nog wat meer wilde horen. Bij de achterblijvers was de stemming geanimeerd en er werden nog heel wat krasse verhalen verteld. De dood was buitengewoon populair geweest bij zijn korte bezoek. Geen origineel inzicht dat me hier ten deel viel. Verbaasd was ik niet. Toch maakte het indruk om het zelf mee te maken. Misschien was het maar een opschepper geweest die zich verkleed had. Een mooi excuus om gezellig mee te griezelen bij de gedachte dat het misschien ook echt kon zijn.

De afgelopen weken kwam de Duitse schrijver Ernst Jünger binnen, op het televisiescherm en in de kranten. Ook een opschepper over de dood, maar bij hem is er geen twijfel dat hij opschept over dingen die echt gebeurd zijn. Je kijkt ernaar met het ontzag alsof je een geestverschijning ziet, niet omdat hij met zijn honderd jaar een wrak zou zijn geworden, dat was hij allerminst, maar omdat je beseft dat hij allang dood had moeten zijn, na zijn honderd jaar en na het vreemdelingenlegioen, twee wereldoorlogen als Duits soldaat, experimenten met LSD, mescaline, peyote en wat al niet.

Wie honderd jaar wordt krijgt vanzelf gelijk. Kijk hem op de foto, anderhalve week geleden in ons Cultureel Supplement. Een paar maanden voor zijn honderdste verjaardag. Bezig nog even een dankrede voor zijn zoveelste eredoctoraat na te kijken, krijg je de indruk. Tevreden paffend aan zijn sigaret. Op de Duitse televisie zag je hem kettingrokend door zijn tuin lopen. Niet iemand bij wie je met slappe praatjes over gezond leven aan moet komen, daar kan een honderdjarige soldaat alleen maar om lachen. Wie kan het aanzien zonder bewondering te voelen? En wie weet zeker dat hij niet zou willen zijn als hij, sjieke avonturier, overlevende van alle verschrikkingen die hij zelf heeft helpen aanrichten, de wandelende dood met wijnglas en sigaret?

Is hij een groot schrijver? Zijn dagboeken over de Tweede Wereldoorlog en zijn memoires, geschreven als een verslag van ervaringen met alcohol, tabak en drugs, vind ik erg mooi. Ik ben aan een paar van zijn romans begonnen, maar ik heb er nooit een uitgelezen. Doet er niet toe bij dit spook uit de krochten van de geschiedenis. In Duitsland wordt nog steeds woedend gedebatteerd over de vraag of hij goed of fout is. Ze zeggen daar dat hij in Frankrijk en Spanje om zuiverder redenen bewonderd wordt. Niet als orakel of als belichaming van onze gruwelijke eeuw, maar als stilist en waarnemer. Op zuiver esthetische gronden.

Geloof ik niets van. Er zullen daar ook wel buitenliteraire redenen zijn. Als Jünger een goede Duitser was, dan was Pétain een goede Fransman en Mitterrand ook, in de tijd dat hij voor de collaborateurs werkte. Heel Frankrijk is dan goed geweest in de oorlog.

In Spanje zag ik dat de krant El Pais een Jünger-bijvoegsel had gemaakt. Inderdaad weinig over goed en fout, zoals bij de Duitsers en bij ons, en veel over esthetiek. Er werd gememoreerd dat Jünger altijd een groot fan van de stieregevechten was. Het is ook niet moeilijk om hem als een soort super-stierevechter te zien. Zeker niet zonder persoonlijke moed. Met iets te mooie woorden over de nobele schoonheid van het gevecht, waarin slachtoffer en dader beiden een eerlijke kans hebben.

Op Jüngers tafel zagen we tientallen foto's. Vrienden, geliefden en verwanten die gestorven waren. Hoe roerend. Maar je moest toch ook denken aan de jager die de koppen van het neergeschoten wild boven de haard heeft hangen. Al die portretten van de geliefde doden, het zijn trofeeën die hij in een bewogen leven heeft verzameld, net als de helmen uit de oorlog die hij heeft bewaard. De mensen op de foto's zijn dood, hij leeft.

Jünger vertelt dat hij net het graf van zijn grootvader weer voor tien jaar heeft laten verzorgen. De televisiekijker rekent snel uit of die grootvader nog tegen Napoleon heeft kunnen vechten. Jünger klaagt dat er een schandelijk hoog bedrag voor die onnozele tien jaar gevraagd werd. Onze begraafplaatsen zijn nog slechts parkeerterreinen, waar je zo snel mogelijk weggesleept wordt, moppert hij. Ja, hij kan soms geestig uit de hoek komen, ook in zijn boeken. Het zijn altijd grappen waaruit een komische onaangedaanheid bij grote verschrikkingen spreekt. Zoals die over de Franse hertog, ziek te bed, een stoet van lijfartsen om zich heen die ruzie maken omdat ze allemaal een andere diagnose hebben. “Heren, ik zal u tot overeenstemming brengen“, zegt de hertog, hij draait zich om en blaast de laatste adem uit. Soldatenhumor. Nauwkeuriger gezegd: officierenhumor.

Elegant gekleed, vlot van tong, hij lacht veel in de televisieuitzending, steeds een kort militair lachje dat altijd iets misprijzends heeft. Hoe wordt iemand honderd in goede gezondheid en met ongebroken werkkracht, wordt gevraagd. Zo weinig mogelijk naar de dokter gaan, zegt Jünger. En volstrekt egocentrisch zijn, denk ik. Je ziet wel vaker dat dat tot grote vitaliteit op hoge leeftijd leidt. Hij praat over zijn zoon, die een paar jaar geleden zelfmoord heeft gepleegd. Slachtoffer van de moderne medische wetenschap, zegt hij stoer. Zijn zoon had hoofdpijn, ze boorden in zijn hoofd, maar iets te diep. Daarna had hij last van depressies en maakte hij een eind aan zijn leven. “Ik had nooit gedacht dat het in de familie zou zitten“, zegt Jünger. Weer dat korte militaire lachje. Het is niet zijn zoon die gestorven is, een uniek onvervangbaar individu, het is een lid van het geslacht Jünger, bij wie het eigenlijk niet in de familie had mogen zitten.