Regisseur Lubbers kan zijn hang naar esthetiek niet kwijt

Voorstelling: Geloof, Hoop en Liefde, van öOdn von Horváth, door het Noord Nederlands Toneel. Regie, vertaling en bewerking: Albert Lubbers; decor: Peter de Kimpe. Spel: Sofie Sente, Patrick Deleu, Christo van Klaveren, Fabiënne Meershoek, Rogier Schippers, Louk Seyffert, Dries Vanhegen. Gezien: 31/3 Grand Theater, Groningen. Tournee t/m 30/5.

'Een kleine dodendans' - zo luidt de sombere ondertitel van Geloof, Hoop en Liefde. öOdn von Horváth schreef het werk in 1932, vlak voordat de grote dodendans begon. En hij schreef het voor een groot publiek, in de hoop dat men zichzelf zou herkennen in de boosaardige wezens die het stuk bevolken. Naar boven likken en naar onder trappen, dat was volgens Von Horváth de mentaliteit van de kleine lieden in Duitsland. Een mentaliteit, gevoed door de massale werkloosheid, die hen regelrecht in de armen van de nazi's dreef.

Slechts één fatsoenlijk mens voert de schrijver in zijn drama op. Elisabeth heet ze, en in de eerste scène is haar dood al breed uitgemeten. Zij vermaakt haar lichaam voor honderdvijftig mark aan een anatomisch instituut. Met het voorschot wil ze een ventvergunning kopen, beweert ze. De arme korsettenverkoopster probeert met behulp van onschuldige leugens het hoofd boven water te houden, maar haar omgeving behandelt haar als een misdadigster. Na een bittere affaire met een politieman, die opeens beseft dat het bezit van een vrouw met een strafblad schadelijk is voor zijn carrière, houdt Elisabeth het hier op aarde wel voor gezien. En dan krijgt het anatomische instituut eindelijk wat het toekomt: het verse lijk van een jonge zelfmoordenares.

Het onmenselijke plichtsbesef van de politie en haar kleinburgerlijke handlangers staat in schril contrast met het martelaarschap van Elisabeth, die niet voor niets de naam van een heilige draagt. Wij zijn inmiddels gewend geraakt aan toneel waarin geen enkel personage deugt en Von Horváths verhaal maakt nu, ondanks de beoogde schokeffecten, een naïeve, zelfs bijkans bedaagde indruk. Regisseur Albert Lubbers is blijkbaar niet bij machte daar wat aan te doen. Hij valt gemakzuchtig terug op groteske en karikaturale figuren, zoals de corpulente eigenaresse van de korsettenwinkel en de preparator van het anatomische instituut die meer om vissen geeft dan om meisjes. Als een oude bekende oogt de sigarenrokende rechter met aan zijn zij de bigotte echtgenote die zich zeer van haar stand bewust is. Ze schuifelen allemaal voorbij als een optocht van geestelijk afgestorvenen en ze prevelen clichés die aan niemand in het bijzonder gericht zijn.

Even lelijk als deze verzameling menselijke schepsels is het decor van Peter de Kimpe. Komt het lijkenhuis in beeld, dan gaat er boven een deurtje een bloedrood lampje branden; kijken we naar het gebouw van de sociale dienst, dan floept er een gifgroene neonbuis aan. Lubbers, befaamd om zijn subtiele ensceneringen van stukken van Karst Woudstra en Lars Norén en van Couperus' Boeken der Kleine zielen, kan zijn estheticisme eigenlijk alleen kwijt in Elisabeth. Onder zijn regie is de piepjonge Vlaamse actrice Sofie Sente een dromerig meisje en met haar verfijnde gebarentaal weet zíj nog het best een gevoelige snaar te raken - bijvoorbeeld op het moment dat de in kuis wit ondergoed gestoken Elisabeth bij haar politieman op schoot kruipt.

En toch geloof ik amper dat Geloof, Hoop en Liefde om zijn artistieke of politieke zeggingskracht wordt gespeeld. Het lijkt er eerder op dat Lubbers iets gemakkelijks heeft uitgekozen, iets waaraan de verjongde kerngroep van het Noord Nederlands Toneel zich niet kan vertillen. Aan de toeschouwers van boven de achttien echter is nauwelijks gedacht: die verkommeren zowat bij zoveel jeugdhonk simplisme.