Parijs wil discussie nog niet; Minimumquota op televisie: debat afgelast

LUXEMBURG, 3 APRIL. Frankrijk, dit halfjaar voorzitter van de Europese Unie, heeft de Europese ministers van cultuur gisteren verrast door een debat over minimumquota voor Europese televisieprogramma's af te gelasten.

De ministers van cultuur, gisteren bijeen in Luxemburg, verwachtten dat er geproken zou worden over een voorstel van de Europese Commissie voor strengere quota die de Europese filmindustrie moeten beschermen tegen 'Hollywood'. Frankrijk, dat zich opwerpt als verdediger van het Europees cultureel erfgoed, is daar vurig voorstander van. Maar vrijwel alle andere EU-lidstaten zien niets in verscherping van de huidige wetgeving.

De officiële reden dat de discussie over de quota gisteren van het programma was gevoerd, was dat de vertalingen nog niet rond waren. Maar volgens Europese diplomaten is een aannemelijker verklaring dat Frankrijk liefst zo weinig mogelijk discussie heeft over het commissievoorstel, tot na de presidentsverkiezingen in april en mei.

Onze correspondent in Parijs voegt hieraan toe: De 'verdediging van de Franse culturele identiteit' is een van de onderwerpen waar een zeer brede overeenstemming over bestaat onder politici en publiek in Frankrijk. Premier Balladur heeft in het najaar van 1993 veel populariteit gewonnen met zijn strijd voor de exception culturelle in de GATT-akkoorden tussen Europa en de Verenigde Staten.

Ook in de huidige verkiezingscampagnes om het presidentschap van Frankrijk betuigen kandidaten van links tot rechts hun instemming met de strijd “tegen de overheersing door de Amerikaanse audio-visuele industrie”. Ter rechter zijde zijn Le Pen, De Villiers, Balladur en partijgenoot Chirac even fel op dit standpunt, terwijl ter linker zijde communisten en socialisten daar niet voor onder doen. De socialist Jospin schrijft vanmorgen een lang artikel in het dagblad Libération waarin hij belooft als president alles te zullen doen om de 'culturele slag' te winnen, door de verspreiding van oorspronkelijke Europese produkties te bevorderen. Tot zover onze correspondent in Parijs.

Tijdens een extra bijeenkomst van de Europese ministers van cultuur, die waarschijnlijk op 21 juni zal plaatshebben, wordt het voorstel van de Europese Commissie voor de televisie-quota opnieuw voorgelegd aan de cultuurministers.

Half februari, tijdens een ontmoeting van de ministers in Bordeaux, was ook al duidelijk dat Frankrijk alleen staat in zijn wens om zenders te dwingen ten minste 51 procent Europese programma's uit te zenden. Ondanks de tegenstand van vrijwel alle ministers stelde de Europese Commissie eind vorige maand voor de uitzonderings-clausule te schrappen. Wel werd bepaald dat de quota aflopen na tien jaar.

De Nederlandse staatssecretaris van cultuur, Aad Nuis, zei gisteren dat hij tegen het commissievoorstel zal stemmen, als het in juni in zijn huidige vorm wordt gepresenteerd. Hij voorspelde dat ook andere Europese landen, en met name Groot-Brittannië en Duitsland, het voorstel zullen verwerpen. In de Nederlandse mediawet is al bepaald dat ten minste 51 procent van de programma's van Europese makelij moet zijn. Nuis wil geen aanscherping van de Europese wetgeving, omdat hij “de handen wil vrijhouden” en “niet naar Europa wil hoeven lopen” als bijvoorbeeld een nieuwe, kleine zender niet aan de 51 procentsnorm kan voldoen.

Behalve aanscherping van de quota heeft commissaris Oreja gisteren ook voorgesteld een garantiefonds van 200 miljoen ecu (ruim 400 miljoen gulden) op te richten, voor investeerders in Europese filmprodukties. Ook dit voorstel moet nog worden uitgewerkt en zal in juni verder worden besproken.