Nederland zet bescheiden in op klimaatconferentie

Nederland is zeer ruim vertegenwoordigd op de klimaatconferentie in Berlijn. Als door het broeikaseffect de zeespiegel stijgt, is het even kwetsbaar als de eilanden Malediven, Fiji en Tuvalu, die harde maatregelen willen.

BERLIJN, 4 APRIL. Tussen Nepal en Nieuw Zeeland en een beetje rechts van het midden, zit aan een tafeltje waar met een enig schuiven net drie man achter past, de delegatie van de Netherlands. Meestal zit er maar één delegatielid achter de tafel, soms vergezeld van een tweede een stoelenrij verder. De andere delegatieleden zitten dan elders in het reusachtige conferentiecomplex waar de VN-klimaatconferentie wordt gehouden, bij de kleine vergaderingen in de commissiekamer waar 'en petit comité' de hardere geschilpunten in kaart worden gebracht en tot nog toe zonder succes een poging wordt gedaan deze op te lossen.

Aan ambtenaren om alles af te lopen heeft Nederland geen gebrek in Berlijn. Waar Nepal slechts één directeur-generaal van een ministerie uit Kathmandu heeft afgevaardigd en verder zijn ambassadeur in België als delegatiehoofd naar Berlijn heeft gestuurd, bestaat de Nederlandse delegatie op het hoogtepunt van de conferentie uit 22 mensen, onder wie minister De Boer van VROM en vier Kamerleden, die op de deelnemerslijsten worden opgevoerd als ambtenaren van Buitenlandse Zaken.

De Nederlandse delegatie is groter dan de Russische of zelfs die van Frankrijk, maar dat wordt in Berlijn niet als verwonderlijk gezien, want klimaatverandering is voor Nederland een serieuze zaak, begrijpt men. Wanneer door het broeikaseffect en de daarmee stijgende temperatuur op aarde de ijskappen smelten en de zeespiegel stijgt, is Nederland even kwetsbaar als kleine eilanden als de Malediven, Fiji en Tuvalu, die zich op de klimaatconferentie sterk maken voor drastische actie door de industrielanden om minder gassen in de lucht te laten die de opwarming veroorzaken.

Zo'n industrieland is Nederland, met een meer dan gemiddeld energieverbruik en een zeer grote hoeveelheid auto's. Maar Nederland voelt zich niet aangesproken, want het zit als een van de weinige landen op de koers die drie jaar geleden, op de grote milieutop in Rio de Janeiro, is uitgezet. Stabilisatie in het jaar 2000 op het niveau van 1990 was de kern van de besluiten die daar werden genomen over het broeikaseffect en slechts zes landen die Rio hebben ondertekend zitten op die lijn.

Nederland hoort daarbij dankzij onder meer het Nationaal Milieuplan Plus, waarin staat dat de uitstoot van het voor het broeikaseffect verantwoordelijke geachte gas CO met drie procent zal worden teruggebracht. Ruim de helft van dat percentage zal moeten komen van de invoering van een milieuheffing voor 'kleinverbruikers' van energie in 1996, een unicum in Europa. De andere helft moet worden gevonden in maatregelen als betere isolatie van woningen.

Nederland moest zich met zulke mooie plannen dan ook maar krachtig inzetten voor een goed resultaat in Berlijn, vond GroenLinks enkele weken geleden bij een commissievergadering over de top in Berlijn. Nederland moest een 'voortrekkersrol' op zich nemen om de conferentie tot verregaande besluiten te dwingen. Dat vond minister De Boer van VROM aardig gezegd, maar de Kamer moest zich toch realiseren dat Nederland het zeker niet in zijn eentje zou kunnen klaren. De meningsverschillen zijn daarvoor te groot. De inzet van Nederland is daarom bescheiden: er voor zorgen dat er na deze conferentie verder wordt gepraat en dat in 1997 bij een volgende conferentie in Tokio besluiten worden genomen. Vorige week leek op de conferentie zelfs die boterzachte doelstelling niet haalbaar, maar daarin komt nu langzaam verandering. Het doel dat Nederland zich gesteld heeft lijkt haalbaar, mits de OESO-landen zich achter een voorstel voor verdergaand overleg van de ontwikkelingslanden kunnen scharen.

De grote vraag, ook in Nederland, is wat er na 2000 moet gebeuren. Op de conferentie in Berlijn worden daarover slechts voorzichtig getallen genoemd, in Nederland rollen de percentages over tafel. De PvdA wil na 2000 een jaarlijkse reductie van één à twee procent per jaar, GroenLinks wil het land binden aan het voorstel van de kleine eilanden in de Stille Oceaan dat industrielanden in 2005 ruim 20 procent minder CO in de lucht blazen. De VVD wil een herbevestiging van de Rio-afspraak plus een 'commitment' van de verdragspartners zich daaraan te houden. Net als D66, dat ervoor pleit eerst die voorgenomen stabilisatie op het niveau van 1990 te halen, omdat Europa nu vijf tot acht procent meer CO in de lucht stoot dan in 1990. Verder wil men een hardere aanpak van het verkeer.

Voor dat laatste is minister De Boer zeer te porren, voor die twintig procent reductie die de kleine eilanden eisen voor 2005 absoluut niet. Het GroenLinks-Kamerlid Vos kreeg enkele weken geleden bij overleg over de klimaattop in Berlijn dan ook nul op het rekest toen ze het getal noemde: dergelijke percentages zouden de samenleving totaal ontwrichten en daaraan wil de minister niet meewerken. Drie is haalbaar, vijf met heel veel moeite. Alleen bij het terugdringen van het autogebruik is op korte termijn veel te halen, betoogde De Boer, en wat haar betreft kon daar snel een besluit over vallen.

De Boer maande verder de Kamer niet al te somber te zijn over het klimaat: er was een werkend verdrag met 122 deelnemende landen. Discussies gaven aan dat alle landen er voortdurend mee bezig zijn en dat het ook een politiek 'item' was geworden. Vijf jaar geleden was het dat nog niet.