Koud water op eigen wensen

Minister Van Mierlo heeft in zijn notitie over het gemeenschappelijk buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid van de Europese Unie, die hij vorige week de Tweede Kamer heeft aangeboden, “wenselijkheid en haalbaarheid” willen verenigen, zoals hij zei in het interview dat op 29 maart in deze krant stond.

Is hij in dat streven geslaagd? Is hem die eenheid van wenselijkheid en haalbaarheid gelukt? Die vragen kunnen we nu nog niet beantwoorden, want wensen zijn gemakkelijk te uiten, maar of ze haalbaar zijn, kan per definitie slechts de praktijk uitmaken.

Opmerkelijk is het aantal malen dat de notitie het werkwoord moeten (of een equivalent) uitspreekt: de externe handelingsbekwaamheid van Europa moet worden vergroot; het economische gewicht van de EU moet beter worden gereflecteerd in het buitenlands en veiligheidsbeleid; het externe optreden dient te worden versterkt; de EU zal de mogelijkheden die de OVSE biedt, zo volledig mogelijk moeten benutten; voor het zelfstandig uitvoeren van militaire operaties zal Europa de nodige instrumenten dienen te ontwikkelen. Enzovoort, enzovoort.

Allemaal wensen - wensen ook waar iedereen wel ja en amen op kan zeggen. Maar zijn het meer dan vrome wensen - wensen die een goede kans hebben op verwezenlijking? Wanneer we de notitie op dat aspect nalezen, is het resultaat sober. Ja, menigeen zinkt dan de moed in de schoenen. Lees maar:

“...in de praktijk is van een werkelijk gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) nog geen sprake.” “Het instellen van het GBVB” - hoe kan een beleid ingesteld worden waarvan “nog geen sprake” is? - “heeft verwachtingen geschapen die in de dagelijkse werkelijkheid niet op korte termijn zijn te realiseren.” Ook “lijkt de volledige integratie van de Westeuropese Unie (WEU) in de EU” - een wens van de regering - “niet op korte termijn realiseerbaar”.

Als de EU wordt uitgebreid, zal de “trage besluitvorming van het GBVB nog zwaarder worden belast”. Communautisering zou deze situatie kunnen doorbreken, maar “het staat buiten kijf dat de meeste lidstaten daartoe thans niet bereid zijn”. En wat de parlementaire controle op het GBVB betreft, is het “bepaald niet zeker dat de IGC (de intergouvernementele conferentie die in 1996 moet beslissen over de toekomst van de EU) zal instemmen met een vergrote rol van het Europese Parlement” (ook een Nederlandse wens).

Kortom, de notitie stort koud water op de wensen die ze zelf uitspreekt. Wat de notitie zegt over de mogelijkheid van integratie van de WEU in de EU - een op zichzelf niet zo moeilijke operatie - geldt a fortiori voor het hele politieke eenheidsproces: “indien deze (die eenheid) al tot stand komt” - daar heeft ze dus ook al twijfel over! - zal het “een geleidelijk proces zijn, dat in 1996 niet zal worden voltooid, maar hoogstens in gang zal worden gezet”.

Maar geeft de notitie dan helemaal geen hoop op de haalbaarheid van haar wensen? Ja, op één punt: na te hebben geconstateerd dat “de meeste lidstaten” thans niet bereid zijn tot communautisering van het GBVB, spreekt ze impliciet de hoop uit dat althans Duitsland niet tot die meerderheid van de lidstaten behoort:

“Duitsland lijkt in te zetten op vergroting van de effectiviteit van het GBVB door meerderheidsbesluitvorming bij het GBVB, terwijl ook andere vormen van beperkingen van de consensusregel op Duitse steun kunnen rekenen” (let op het verschil tussen lijkt en kunnen!) “Gelet op het accent dat Nederland legt op de communautaire benadering, streeft de regering ernaar op dit punt aansluiting bij Duitsland te zoeken.”

Een logisch streven, maar ook één dat kans op succes zal hebben? Misschien, maar in 1991 had de Nederlandse regering, toen zij haar plan voor de structuur van de Europese Unie aan haar partners voorlegde - een plan dat sterke communautaire trekken had -, ook op Duitse steun gerekend. Die bleef uit - met het gevolg dat het plan van tafel werd geveegd en Nederland een zware diplomatieke nederlaag leed.

Overigens: als het waar mocht zijn dat Duitsland deze keer serieus is wat betreft zijn voornemen meerderheidsbeslissingen in het GBVB te introduceren, dan is die Frans-Duitse as, waar Van Mierlo ook in zijn interview van 29 maart over spreekt, niet zo sterk als algemeen aangenomen wordt. Immers, Frankrijk staat erop dat “het GBVB vooralsnog intergouvernementeel van opzet zal blijven”, zoals Van Mierlo's notitie zegt.

Spreekt Van Mierlo daarom, in dat interview, van de “holte van de Frans-Duitse as”? Een as die hol is, is inderdaad niet erg sterk. Of bedoelt hij iets anders wanneer hij zegt: “Wij (d.i. Nederland) zitten in de holte van de Frans-Duitse as”? In het eerste geval zit Nederland, volgens hem, in een holle as. Dat is geen erg aantrekkelijke positie. Beeldspraken verduidelijken de zaak niet altijd.

Maar misschien bedoelt hij met holte een kom waarin iets rust, zoals de holte onder de arm. Daar wijst de opmerking op die hij korte tijd later laat vallen: “Een kopgroep in de Unie zonder ons zal niet lukken.” Met andere woorden: als Europa's verdere integratie niet mogelijk is zonder een kopgroep (waarvan de Frans-Duitse as de kern zou vormen), is Nederland onmisbaar.

Daar zit iets in, maar Van Mierlo ontkracht de effectiviteit van die stelling weer wanneer hij daarop laat volgen: “Wij kunnen niet anders” (dan ons aansluiten bij de Frans-Duitse as). Nu, als dat zo is, dan is Nederland zijn onderhandelingspositie kwijt. Een journalist kan zoiets zonder risico hardop zeggen, een minister niet.

Ook eigen kring blijkt Van Mierlo nog niet helemaal overtuigd te hebben. In de Volkskrant van 31 maart schrijft B.R.A. van den Bos, woordvoerder buitenland van de Tweede-Kamerfractie van D66, dat het “een machtspolitieke vergissing zou zijn de as Bonn-Parijs niet naar Londen door te trekken”. Dan zou Nederland “zoveel mogelijk aansluiting (kunnen) zoeken bij deze triangel”.

Inderdaad zou zo'n triangel een dierbare Nederlandse wens vervullen. Zijn mogelijkheden de een tegen de ander uit te spelen zouden dan vergroot worden. Maar in tegenstelling tot de Frans-Duitse as, die - hol of niet - althans bestaat, bestaat die triangel helemaal niet. Ook hier is er een kloof tussen wenselijkheid en haalbaarheid.