Het veranderde beeld van Rembrandt in de kunsthistorie

Over Rembrandt is in de loop der eeuwen verschillend gedacht. Was de zeventiende-eeuwse meester een eerbiedwaardig denker, een geniaal doener of een losbol die zijn huishoudster 'besliep'? Kunsthistoricus Jeroen Boomgaard promoveert vandaag in Amsterdam op een onderzoek naar Rembrandt en de Nederlandse kunstgeschiedschrijving.

'Rembrandt en de Nederlandse kunstgeschiedschrijving' luidt de titel van het proefschrift waarop Jeroen Boomgaard vandaag aan de Universiteit van Amsterdam promoveert. Eigenlijk is Rembrandt tegen wil en dank in die titel geslopen. Boomgaard (1953) had zich niet voorgenomen speciale aandacht aan de Grote Meester te besteden toen hij zijn onderzoek begon. Bij het bestuderen van de manier waarop de kunstgeschiedenis in de negentiende en (vroege) twintigste eeuw in Nederland beoefend werd, stuitte hij echter zo vaak op Rembrandt dat die gaandeweg uitgroeide tot de spil van zijn onderzoek.

Boomgaard illustreert het negentiende-eeuwse Rembrandt-beeld aan de hand van het treetje dat zich destijds nog voor de Nachtwacht bevond. Met dit opstapje werd de suggestie gewekt dat de bezoeker het schilderij binnen zou kunnen stappen. “Dat treetje is een handige metafoor. Ik wil ermee duidelijk maken hoezeer men in de negentiende eeuw het verleden nog toegankelijk achtte.”

Dat de manier waarop Rembrandt bekeken wordt in de loop der tijden sterk veranderd is, blijkt ook al uit de twee beelden die in Amsterdam als eerbetoon aan de meester werden opgericht. In 1852 werd op de Botermarkt (inmiddels Rembrandtplein) een beeld onthuld dat de kunstenaar - palet in de hand - toont met een peinzende gelaatsuitdrukking. Boomgaard: “Hij staat iets heel dieps te denken, in ieder geval is hij níet als schilder afgebeeld.” Enkele kilometers verderop aan de Amstel bij Ouderkerk werd ruim een eeuw later een heel andere sculptuur geplaatst. “Daar is hij een ambachtsman; een doener die over de polder uitkijkt en het landschap schetst.”

Alvorens als eerbiedwaardig denker en geniaal doener te worden afgebeeld, heeft Rembrandt ook nog een tijdje als 'losbol' bekend gestaan. Aan het begin van de negentiende eeuw werd hij nog Paul Rembrandt genoemd en beschreven als een excentriekeling van bescheiden komaf. Naarmate de waardering voor zijn werk in de loop van de negentiende eeuw toenam, werd Rembrandt tot nationale held gemaakt. “Want als die schilderijen zo mooi waren, dan móest de kunstenaar ook wel een hoogstaand man zijn.” De resultaten van het archiefonderzoek kwamen aanvankelijk goed van pas. De echtgenote van Rembrandt bleek geen boerinnetje - zoals men dacht - maar een heuse patriciërsdochter. Minder prettige ontdekkingen volgden later die eeuw. Zo bleek dat Rembrandt zijn huishoudster Geertje Dirckx veelvuldig had 'beslapen' en daarna weigerde zijn trouwbeloftes na te komen. 'Archiefsprokkelaar' Abraham Bredius wachtte met de publikatie van die stukken tot zijn oudere collega De Roever was overleden. “Hij meende dat De Roever dat niet aangekund zou hebben.”

Boomgaard constateert dat de kunstgeschiedenis rond 1900 in een crisis terecht kwam. “Men hinkte op twee gedachten die nauwelijks te verenigen waren. Enerzijds werden feiten en archiefstukken geïnventariseerd. Aan de andere kant bestonden er heel verheven ideeën over kunst. Aan een analyse kwamen kunsthistorici destijds nauwelijks toe; ze waren alleen nog maar met feiten bezig. Kunst was vrijwel onzichtbaar voor ze geworden.”

Die problematiek bestaat volgens Boomgaard nog steeds. “Kunstgeschiedenis wordt van twee kanten aangevallen. Historici vinden het niet historisch genoeg en de literatuurwetenschap vindt het juist te feitelijk en te droog. Ik vind dat het vak die twee zaken hoort te verenigen. De spanning tussen die twee polen maakt het interessant.”

Boomgaard acht het legitiem om een eeuwenoud kunstwerk met moderne blik te bekijken. “Dat is nu juist zo leuk aan kunstgeschiedenis: kunst uit het verleden heeft ook nu een werking.” Als representant van deze aanpak noemt hij Mieke Bal. “Zij bekijkt Rembrandt met twintigste-eeuwse ogen. Dat levert interpretaties op die niet veel te maken hebben met wat de schilder heeft bedoeld. Vandaar dat Bal uit de kunsthistorische hoek hele heftige reacties gekregen heeft.”

In zijn proefschrift deelt Boomgaard enkele plaagstootjes uit aan de archiefvorsers die een louter historische benadering voorstaan. “Het lijkt me niet zinvol alléén voor die benadering te kiezen. Feiten worden altijd gebruikt om bepaalde ideeën op een kunstenaar en zijn werk te projecteren. Ik toon aan dat elke serieuze kunsthistoricus zich daaraan schuldig heeft gemaakt.”

De hardnekkigheid waarmee merkwaardige denkbeelden voort blijven leven, verbaast hem wel eens. “Het idee dat de ware kunstenaar verworpen hoort te worden heeft in de negentiende eeuw geleid tot het verhaal dat de Nachtwacht niet gewaardeerd zou zijn door de opdrachtgevers. Hoewel daar geen enkel historisch bewijs voor bestaat, wordt dat op de lagere school nog altijd geleerd.”