Herman van Veen en televisie liggen elkaar niet zo

Vijftig jaar onderweg, Ned.1, 20.32-21.28u.

Een aandoenlijk jongenshoofd zingt in aandoenlijk zwart-wit het fraaie chanson Waar blijft de tijd - daarmee begint het programma Vijftig jaar onderweg waarmee de NCRV vanavond de vijftigste verjaardag van Herman van Veen viert. Het is een opname uit het najaar van 1968, afkomstig uit één van de allereerste televisieshows die Herman van Veen ooit maakte. Er stonden er dat seizoen, bij de VARA, een stuk of zes op het programma. Maar al in februari 1969 meldden de kranten dat het nieuwe theatertalent er voortijdig mee was gestopt. “Van Veen is bij het kijken naar vorige uitzendingen tot de conclusie gekomen dat zijn optreden beneden de maat was”, aldus het Algemeen Handelsblad, “en dat hij nog lang niet aan tv-werk toe is; hij voelt zich toch meer theaterartiest dan tv-man.”

Het is, zo kan nu worden vastgesteld, tussen Herman van Veen en de televisie - afgezien van een paar charmante jeugdseries - nooit helemaal goedgekomen. Niemand is er ooit in geslaagd voor het kleine tv-scherm een adequaat equivalent te ontwerpen voor zijn formidabele theateroptreden, dat doorgaans het midden houdt tussen een concert, een circusachtige variété-vertoning en een eredienst. En toen hij in 1981 nog eens een paar speciale studioprodukties maakte voor de KRO, gaf dat ook weer problemen. Een aflevering, waarin Ramses Shaffy als kardinaal een Zuidamerikaans regime zegende, is tot op de dag van vandaag nimmer uitgezonden.

Vijftig jaar onderweg is een coproduktie met Harlekijn Holland, het produktiekantoor van Herman van Veen, en dus geen onafhankelijk samengesteld programma. De enige kritische kanttekening komt van zijn oude vioollerares die geamuseerd opmerkt dat haar beroemde leerling het instrument wel trouw is gebleven, maar er geen serieus werk meer van maakt: “Och, hij fiedelt nou zo'n beetje, hè?” Verder is één lang interview met de jarige hoofdpersoon door regisseur Aleid Smid in stukken geknipt en gelardeerd met veel archiefmateriaal, waarin Van Veen helaas slechts zelden zingend te horen is, en met uitspraken van prominente bewonderaars als Peter Ustinov, Toon Hermans, Shirley MacLaine (die zijn kunst “a dying art” noemt) en Irene van Lippe-Biesterfeld, alias prinses Irene, die erg moet blozen als ze het over Herman heeft.

Opmerkelijk, tussen al deze flarden, is een opname van een persconferentie die Van Veen in oktober 1989 in Oost-Berlijn gaf. Met een mengeling van onwankelbare ernst en jongensbrutaliteit verklaarde hij tegenover de DDR-pers dat het communistische bewind binnen enkele jaren zou instorten: “Komt u mij allemaal maar over drie jaar in Parijs honderd mark brengen, want die weddenschap win ik.” Een maand later viel de muur. Natuurlijk had ik nu willen horen wat die Oostduitse journalisten destijds van zo'n uitspraak vonden - en of ze in het najaar van 1992 nog in Parijs zijn geweest. Maar zulke vragen worden in dit programma niet beantwoord.