Exxon stopt 11,5 mld in olieproject in Azerbajdzjan

IRVING, 4 APRIL. Exxon stapt in het gigantische olieproject in de Kaspische Zee bij Azerbajdzjan dat volgens de maatschappij 7,5 miljard dollar (11,5 miljard gulden) aan ontwikkelingskosten vergt. Shell toonde eerder al belangstelling voor het project, waarin British Petroleum (BP) voor 17 procent deelneemt.

Exxon liet gisteren weten dat dochteronderneming Exxon Azerbaijan een belang van 5 procent overneemt van de Azerbeidzjaanse oliemaatschappij Socar in de ontwikkeling van de zogeheten Azeri- en Chiraq-velden en het Guneshli-veld. Daarnaast zal het Exxon-dochterbedrijf Socar helpen bij de financiering van zijn aandeel in het miljardenproject.

De overeenkomst wordt pas geldig als de oorspronkelijke partners waarmee Socar in september vorig jaar in zee ging, het ermee eens zijn. Ook de regering van de Kaukasische republiek moet nog haar fiat geven.

De olievelden hebben een geschatte reserve van vier miljard vaten (van 159 liter). Exxons aandeel beloopt zo'n 200 miljoen vaten. De produktie zou al begin 1996 van start kunnen gaan, aldus Exxon. De maximale produktie zou na tien jaar op meer dan 600.000 vaten per dag komen te liggen. Dat komt neer op drie keer de huidige olieproduktie van Azerbajdzjan.

Terry Koonce van Exxon Azerbaijan liet gisteren blijken dat de maatschappij al een tijdje aast op deelneming in het olieproject. Socar had daarin een belang van 20 procent, maar wilde een onbekend deel daarvan kwijt omdat het zelf geld tekort kwam voor de noodzakelijke investeringen.

Eind februari kwam via de Azerbajdzjaanse ambassadeur in Londen aan het licht dat ook Shell alsnog brood zag in het project. De maatschappij zelf wilde geen mededelingen doen zolang geen overeenkomst was ondertekend. Shell heeft sinds april 1993 een kantoor in de Azerbajdzjaanse hoofdstad Bakoe. Onduidelijk is in hoeverre Shell nog een kans maakt nu Socar en Exxon het eens zijn.

Het consortium waartoe Exxon zou toetreden, bestaat behalve uit BP verder uit Amoco (17 procent), Pennzoil en Ramseo (samen 12 procent), Unocal (11 procent), Statoil (8,5 procent) en de Russische maatschappij Lukoil (10 procent).

Het contract heeft een looptijd van dertig jaar. Het voorziet in de olie-exploratie van ruim een half miljard ton olie (3,5 miljard vaten) in de Azerbajdzjaanse olievelden Azeri en Tsjirag en de diepwatersectie van het olieveld van Gunesli. De buitenlandse maatschappijen in het consortium hebben het recht gekregen al hun transacties, inclusief de uitvoer van hun winsten, in harde valuta uit te voeren. Ze zijn bovendien vrijgesteld van invoerbelasting op grondstoffen en materiaal dat nodig is voor hun kapitaalinvesteringen. De Azeri, die met het contract in de loop van dertig jaar 34 miljard dollar hopen te verdienen, hebben met hun buitenlandse partners afgesproken dat de helft van de gewonnen olie, 253 miljoen ton, in Azerbajdzjan blijft, net als het gas (55 miljard kubieke meter) dat met die olie wordt gewonnen.

De overeenkomst stuitte vorig jaar direct op felle tegenstand uit Moskou. De Russische regering meende dat het contract in strijd was met de internationale wetgeving. Het ministerie van buitenlandse zaken in Moskou beriep zich op internationale verdragen van 1921 en 1940 waarin is bepaald dat over exploitatie van bodemschatten onder de Kaspische Zee slechts door alle oeverstaten gezamenlijk kan worden beslist.

Voor Azerbajdzjan, economisch verpauperd door de nu al zes jaar durende oorlog tegen de Armeniërs om Nagorny Karabach, is het het contract van de eeuw. De afgelopen tien tot twintig jaar is nauwelijks nog in de oliewining geïnvesteerd. (ANP/AP)