Een buitengewoon trotse jongeman

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.

Kharim is een Marokkaanse jongen van zeventien jaar. Eigenlijk zou hij voor de kinderrechter terecht moeten staan, maar de officier van justitie kan kiezen voor de meervoudige kamer (drie rechters) als een hogere gevangenisstraf dan zes maanden moet worden opgelegd. Dat is bij Kharim vermoedelijk het geval, want hij heeft iemand doodgestoken.

Geboeid komt Kharim binnen. Hij draagt een hagelwitte broek en lacht vriendelijk naar zijn vader en zijn broer op de publieke tribune.

Niet bekend

“Men zegt wel: het bezit van een mes is het gebruik van een mes”, zegt de officier, mr. F. van Heijningen, instemmend. Hij bedoelt: wie 's morgens met een mes in zijn zak zijn huis verlaat, doet dat niet in argeloosheid. Ergens in het achterhoofd moet de notie zweven dat het je van pas kan komen, zo'n stevige, scherpe dolk.

Het kwam Kharim inderdaad van pas, op die middag in oktober.

Hij zat met zijn broer, Mustafa, te eten in een snackbar toen Ali binnenkwam. Ze kenden elkaar wel, al waren ze niet bevriend. Ali wist genoeg van het gezin van de beide broers om een vervelende vraag te kunnen stellen: of hun broer nog steeds in de gevangenis zat. Kharim en Mustafa vonden het een provocerende vraag en reageerden navenant. Er ontstond een kort gevecht, Ali gaf Kharim een kopstoot. De snackbareigenaar kwam tussenbeide en stuurde Ali naar buiten.

Toen de twee broers een poosje later de zaak verlieten, zat Ali buiten op een muurtje. De broers verwijderden zich van hem: Mustafa liep naar zijn verderop geparkeerde auto, Kharim bleef halverwege op hem wachten.

“Hebben jullie besproken wat je met Ali zou doen?” vraagt de rechter, mevrouw mr. L. van Son.

“We zouden het uitpraten”, zegt Kharim “Dus met de mond.”

“Je broer zegt dat hij in zijn auto een busje traangas ging halen.”

“Dat heb ik niet gezien.”

“Jij had zelf een mes bij je. Wanneer heb je dat gepakt?”

“Ik had het die dag toevallig bij me. Het zat in mijn jas.”

De broers gingen enkele meters van Ali vandaan op het muurtje zitten. Ali begon te schelden, hij noemde de moeder van de jongens een hoer - het oudste scheldwoord van de wereld. Ali schopte vervolgens naar Kharim. Mustafa stond het allemaal aan te zien en riep tegen Ali: “Ik steek je als je niet ophoudt.” “Steek me dan!” reageerde Ali, “steek me dan, er is toch niets meer aan het leven.”

De broers probeerden weg te lopen, maar Ali kwam hen achterna en gaf Kharim een elleboogstoot. Daarop brak er een heus gevecht uit. Ali kwam tussen de twee broers terecht: Mustafa spoot hem traangas in het gezicht, Kharim hield hem van achteren vast en stak zes maal met zijn mes in het verslappende lichaam. Dodelijk verwond zakte Ali op de grond.

“Waarom begon je te steken?” vraagt de rechter.

“Ik was bang.”

“Maar hij had geen mes.”

“Ik wist wat hij vroeger had gedaan. Hij heeft iemand met een steen een hersenschudding geslagen.”

“Waarom draag je in het algemeen een mes bij je?”

“Om mensen af te schrikken.”

“Waarom is dat nodig? Ga je vaak met gewapende mensen om?”

“Nee.”

Het slachtoffer was negentien, slechts twee jaar ouder dan Kharim. Vanwaar de enorme agressie bij deze jongens? Het blijft een beetje raadselachtig. Dat Ali zich als een agressor heeft gedragen, is buiten kijf. Hij begon met pesten, schelden en slaan. Maar dat verklaart nog niet de overreactie van Kharim. Per slot van rekening hoefde hij niet bang te zijn met zijn broer in de buurt.

De psychiater die Kharim heeft onderzocht, is ervan overtuigd dat diens culturele achtergrond een rol speelt. Hij noemt hem buitengewoon trots, wat hem 'zeer krenkbaar' maakt. De opmerkingen van Ali over zijn broer en zijn moeder heeft Kharim naar de letter opgevat - symbolisch schelden bestaat voor hem niet.

De psychiater vermoedt dat het gevaar van herhaling gering is, maar hij sluit het ook niet uit als Kharim opnieuw grof beledigd wordt.

Iets daarvan is al gebleken in de gesloten inrichting voor jongens waar Kharim nu verblijft. Hij had een televisie op de grond kapotgegooid in een ruzie met een groepsleider.

“Vind je dat een normale reactie?” vraagt de rechter.

“Nee, maar ik deed het niet omdat ik zomaar boos was. De leider zei: veeg de vloer. Ik zei: dat kun je ook netjes vragen, ik ben geen hond.”

Psychische stoornissen zijn niet bij Kharim gevonden. Hij wordt dan ook volledig toerekeningsvatbaar geacht. De psychiater raadt zelfs behandeling af: Kharim, die een meer dan gemiddelde intelligentie heeft, zou het als aantasting van zijn autonomie kunnen beschouwen.

“Wat vind je zelf de oorzaak van je gedrag,” vraagt de rechter.

“Dat ik bang was...voor de helft.”

“En de andere helft?”

“De boosheid door de beledigingen.”

De officier rekent hem de doodslag volledig aan. “Er was op dat moment geen noodzaak om zich op die manier te verdedigen. Hij nam de kans op de koop toe dat het slachtoffer zou overlijden. Om redenen van vergelding en generale preventie ontkom ik niet aan het eisen van een lange gevangenisstraf: zes jaar onvoorwaardelijk.”

“Dat is wel bijzonder lang”, reageert de advocaat, mr. W. van Hattum. “Ook ouderen krijgen soms voor doodslag kortere straffen. Zo'n straf zal hem geestelijk beschadigen, wat niet wenselijk is voor de samenleving.” Hij vraagt ontslag van alle rechtsvervolging op grond van noodweerexces: Kharim zou ten prooi zijn geweest aan een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door het geweld van Ali. “Die gemoedsbeweging is versterkt door zijn grote trots, die vrij uitzonderlijk is in de Nederlandse samenleving.”

Hij hoopt dat de rechters alsnog het kinderstrafrecht op Kharim zullen toepassen. Dat zou immers betekenen dat hij niet meer dan zes maanden gevangenis krijgt. “Zelfbeheersing ontwikkelt zich met de leeftijd, iemand van zeventien heeft dat minder dan een meerderjarige.”

Maar de officier blijft erbij dat toepassing van het meerderjarigenstrafrecht geboden is, gezien de aard van het delict.

(Het vonnis, twee weken later: een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan zes voorwaardelijk.)