De 'voorzittersomroep' is failliet

Het Nederlandse omroepbestel dateert uit 1930 en wordt dit jaar dus 65. Een mooie leeftijd om er mee op te houden, oordeelt Jan Blokker. De overheid de zendmachtiging moet gunnen aan een raad van professionele programmadeskundigen, die onder strikte voorwaarden zijn gang moet kunnen gaan.

Als het hem te pas komt mag VARA's voorzitter Marcel van Dam graag een vergelijking maken tussen omroep en krant. Dat deed hij onlangs ook weer op een door de VPRO uitgezonden 'symposium' over de overlevingskansen van het publieke bestel tegenover het geweld der commerciëlen. “Als men het heeft over de identiteit van KRO, VPRO of NCRV”, zei hij ongeveer, “heeft men het altijd over de identiteit op het ogenblik van hun oprichting. Alsof de samenleving niet is veranderd! Kranten houden we toch ook niet aan de identiteit van toen ze begonnen?”

Dat klinkt heel aardig en plausibel, maar het gaat voorbij aan iets tamelijk fundamenteels. Kranten die indertijd, net als de meeste omroepen later, zijn opgericht als boodschappers van een zuil - De Maasbode, De Standaard, De Tijd, Het (Vrije) Volk - zijn als gevolg van het ontzuilingsproces in de samenleving niet veranderd, maar met identiteit en al verdwenen. Jammer misschien, maar het was niet anders, en het kan niet anders. Ze verdwenen zoals de lantarenopsteker moest verdwijnen, en de aapjeskoetsier, en de stoomlocomotief.

De omroepen verdwenen niet. Hoe ontzuild ze zich ook voordeden, ze wisten zich vast te klampen aan het sterkste houvast dat in de dagen van de verzuiling was ontwikkeld, namelijk de verenigingsstructuur waarin een achterban op den duur niet eens zo zeer door radio- of televisieboodschappen bijeen werd gehouden, als wel door cluborganen genaamd omroepgids. En ze genoten jarenlang de bescherming van de politiek.

Dat laatste element schijnt vergeten te zijn door Gerard Hulshof, die als directeur radio en televisie van de KRO op de opiniepagina van deze krant (31 maart) zijn bijdrage aan de discussie leverde.

Hulshof behoort tot de vele omroepfunctionarissen die een moderne TGV laten rijden, maar voor de zekerheid nog altijd een machinist en een kolentremmer aan boord houden. De stoom die door die twee wordt geproduceerd noemt hij een visioen.

Hij toont zich een fel tegenstander van het door Marcel van Dam gelanceerde voorstel om in het aangezicht van de commerciële concurrentie de publieke rijen te sluiten, de verenigingen te liquideren en alsnog over te gaan tot de inrichting van een nationale omroep. “Een top-down-benadering”, noemt Hulsof dat, en hij vervolgt: “Het bestuur van die organisatie wordt door de overheid benoemd, en als zoethoudertje komen er ook programmaraden, waarin weer alle geledingen die de politiek kan verzinnen worden neergezet. Bij iedere verkiezingsuitslag en nieuwe coalitie wisselt zo'n bestuur.”

Die angst voor politieke wispelturigheid - daar hoefden KRO en VARA zich nooit zorgen over te maken zolang hun lobby's in Den Haag konden aankloppen bij rooms-rode Kamermeerderheden - doet nogal wereldvreemd aan: alsof Hulshof zich geen omroephandvest kan voorstellen dat ook zonder de protectie van CDA en PvdA onaangetast blijft door politieke conjunctuurverschijnselen.

Overigens blijken hij en Van Dam aan elkaar gewaagd als het om hun 'frustratie' gaat. “Een gemeenschappelijke visie op de publieke omroep in het jaar 2000”, geeft hij zijn vriend van de VARA gelaten na, “daar komen we in Hilversum samen niet meer uit, dat weten we nu wel.” En over nòg iets zijn ze het, als bondgenoten in onmacht, roerend eens: radio en televisie zullen in beider visies - top-down of bottom-up - gemaakt moeten blijven worden onder de hoede van voorzitters. Het wemelt in hun modellen van besturen, raden, coördinatoren en net-managers die de indruk maken allemaal geschoold te moeten zijn bij McKinsey, maar zelfs bij Van Dam, die toch zo graag vergelijkingen maakt met kranten, komt het begrip hoofdredacteur of programmaleider niet voor.

Waar blijven de programmamakers?

In dat VPRO-symposium kwamen er twee aan het woord die aarzelend opperden dat zij misschien iets moesten doen, nu het hun voorzitters zo zichtbaar aan creativiteit en besluitvaardigheid blijkt te ontbreken. Maar er is geen enkele aanwijzing dat zij en hun collega's zich in een situatie van nood (ernstig verlies aan werkgelegenheid, voorspelde Van Dam toen hem zijn 'strategische alliantie' met Endemol door de neus was geboord) zullen gedragen zoals werknemers in elke andere bedrijfstak onder zulke omstandigheden zouden doen: staken, de fabriek bezetten, en het ontslag eisen van de incompetente directie.

Bij kranten, zou Marcel van Dam kunnen weten, wordt een hoge mate van journalistieke onafhankelijkheid gegarandeerd door een redactiestatuut, dat het collectief van redacteuren bovendien verzekert van een doorslaggevende invloed op het inhoudelijk beleid. Van zoiets is bij de omroepen niet of nauwelijks sprake.

Omdat programmamakers zulke doetjes zijn? Dat zou kunnen. Ze hebben zich tenslotte heel lang, en veel langer dan journalisten, geschikt naar een regime waarin de zuil, de vereniging, dus de voorzitter almachtig de dienst uitmaakten. Maar het gemak waarmee een groeiend aantal onder hen in de laatste jaren een 'transfer' is aangegaan, ook naar de commerciële vijand, zou behalve op geldzucht op nog iets anders kunnen wijzen: dat ze allang niet meer de eerzucht hebben om op te komen voor KRO, AVRO of VARA, maar domweg voor 'de' radio of 'de' televisie willen werken. Programmamakers zijn waarschijnlijk per definitie een stuk ontzuilder dan hun visionaire werkgevers, dus wat zullen ze zich druk maken om Hilversum waar ze er toch niet meer uitkomen, als ze hun arbeidsvreugde ook in Aalsmeer kunnen halen?

Voor het failliet van de voorzittersomroep lijkt het top-down-model toch het enige alternatief, zij het zonder de bureaucratische ingrediënten van Marcel van Dam. De overheid zou daartoe niet een gezelschap dames en heren moeten aanwijzen dat hun sporen verdiend heeft in de politiek, de verenigingsfolklore of het bedrijfsleven, maar de zendmachtiging moeten gunnen aan een raad van professionele programmadeskundigen die onder een aantal strikte voorwaarden (waaronder om te beginnen die van de alom gewenste pluriformiteit), en met een stevig en coalitiebestendig statuut als dekschild, zijn gang kan gaan.

Dan zijn we ook meteen af van het sprookje dat in Nederland als democratisch tegenwicht tegen de commercialiteit een 'publieke omroep' zou hebben bestaan. Natuurlijk bestond in Nederland geen publieke omroep. Er bestaan acht meer of minder antieke verenigingen waarmee kortgeleden in een halfbakken politiek compromis (rooms-rode coalitie!) een convenant is gesloten dat ze nog vijf jaar geeft.

Misschien moeten we die vijf jaar uitzitten. Misschien ook stijgt de nood intussen zó hoog, dat de regering wil ingrijpen, en de voorzitters vriendelijk doch dringend zal verzoeken bij de liquidatie van hun uitgediende verenigingen behulpzaam te zijn, omdat het immers niet meer gaat om uitgestelde ontzuiling, maar om bitter noodzakelijke ont-'bestelling'.

Het Bestel dateert van 1930, en wordt dit jaar dus 65. Een mooie leeftijd. Een bedankbrief, een afscheidsreceptie en een koninklijke onderscheiding zijn allemaal op hun plaats. Maar dan is het tijd voor een nieuw, voor een echt visioen.

Natuurlijk bestond in Nederland geen publieke omroep. Er bestaan acht meer of minder antieke verenigingen, die in een halfbakken politiek compromis nog vijf jaar hebben gekregen