De pil hoeft helemaal niet in het ziekenfonds

Minister Borst wil 100 miljoen bezuinigen door de pil niet langer te vergoeden en het voorbehoedmiddel bovendien zonder recept en bij de drogist te laten verkopen. De voorstanders van de pil in het ziekenfonds verdedigen die verworvenheid met verve, maar ze gebruiken daarbij vaak verouderde of onvolledige argumenten, laten de statistiek liegen en kennen aan de arts veel meer wijsheid en deskundigheid toe dan hij heeft.

Evert Ketting, directeur van het Nederlands Instituut voor Sociaal Sexuologisch Onderzoek (NISSO), rekent op de opiniepagina (22 maart) voor dat de beoogde opbrengst van de pil van ziekenfonds naar drogist (100 miljoen) voor de helft weer verloren gaat aan uitgaven voor abortussen en 'ongewenste' kinderen. Ketting begint zijn schatting, die tot een kostenpost van 50 miljoen leidt, met de uitkomst van een enquête waarin aan vrouwen is gevraagd of ze denken dat anderen met de pil zullen stoppen als die niet langer gratis is. “Met opzet is niet gevraagd”, schrijft Ketting, “of men zelf zal stoppen, omdat een dergelijke vraagstelling geen betrouwbare indicatie oplevert (te groot eigenbelang).” Maar als het over de pil, de vrijheid van seks en het al of niet baren van kinderen gaat, moet eigenbelang juist onderdeel van de meting zijn. Ketting becijfert uit de enquête niettemin een daling van pilgebruik van 10 tot 20 procent als er voor moet worden betaald.

Daarna rekent Ketting uit hoeveel extra zwangerschappen deze daling oplevert. Eind jaren zeventig leidden publikaties over bijwerkingen van de pil tot een daling in populariteit. Het percentage pilgebruiksters onder vrouwen van 15 tot 50 jaar daalde van 34,4 procent in 1978 tot 27 procent in 1980 (daling 20 procent). Het aantal abortussen steeg die jaren van onder de 17.000 met 30 procent tot 21.100. Ook werden er meer kinderen geboren. Ketting rekent uit dat 10 tot 20 procent minder pilgebruik 4.000 tot 8.000 extra abortussen en ongeveer evenveel ongewenste kinderen tot gevolg heeft.

Eind jaren zeventig was in Nederland echter meer aan de hand dan ongerustheid over pil. Het waren ook twee jaren met een hoog aantal herenigingen van Turkse en Marokkaanse gezinnen. Er kwamen veel allochtone vrouwen naar ons land, met hun traditie van abortussen. Ketting schrijft wijselijk niet dat het aantal abortussen in ons land na die twee jaren nooit meer, zoals voor 1978, beneden de 17.000 per jaar is gedaald en meestal boven de 18.000 is gebleven. In Kettings interpretatie zou er in ons land, nu in 1993 de pil met 45 procent gebruiksters populairder is dan ooit (70 procent stijging sinds 1980), vrijwel niet meer moeten worden geaborteerd. Maar de werkelijkheid is grimmiger. Het aantal abortussen is gestegen en ligt al enkele jaren tussen de 19.500 en 20.000 per jaar. De conclusie moet zijn dat er alleen valt te speculeren over het verband tussen pilgebruik en abortus. Het lijkt doeltreffender om de stijgende aantallen abortussen onder allochtone vrouwen met gerichte voorlichting over andere geboortebeperkingstechnieken aan te pakken, dan 1,5 miljoen meest zelfbewuste en goedopgeleide Nederlandse vrouwen gratis de pil te verstrekken.

Abortus is een belastende ingreep, maar niet duur. Het merendeel van de kosten die Ketting opvoert om de bezuiniging van 100 miljoen te relativeren is 48 miljoen voor de kosten van 'ongewenste' kinderen. Ketting rekent 9.000 gulden voor ieder kind dat door verminderd pilgebruik wordt geboren. Die 9.000 gulden zijn niet de meerkosten voor een voortijdig of ongewenst kind, maar het is het bedrag dat ieder kind kost volgens de Stuurgroep Toekomstscenario's Gezondheidszorg. Is een ongewenst kind dan een extra kind? Waarschijnlijk niet. De meeste Nederlandse 'ongewenste' kinderen zijn alleen maar 'ongepland' en voortijdig. Ze verhinderen op termijn de geboorte van een 'gewenst' kind. Van de kostenberkening van Ketting blijft weinig over.

Valt het Nederlandse stelsel van family planning omver als voor de pil moet worden betaald? De voorzitter van de Emancipatieraad M. den Ouden-Dekkers (opiniepagina 8 maart) vindt dat Nederland zijn recht van spreken op wereldbevolkingsconferenties verliest. Ketting roemt de Nederlandse politiek van family planning. Die is een voorbeeld voor veel buitenlanden en, zo schrijft hij, veel Nederlandse deskundigen zijn nauwelijks meer in Nederland te vinden omdat ze zo vaak worden uitgenodigd om hun succes in het buitenland uiteen te zetten. Duidelijker had Ketting niet kunnen zeggen dat Nederland, op enkele kleine groepen na, zijn deskundigen niet meer nodig heeft.

De pil heeft zich na tweeëneenhalve generatie 'gebruikende' vrouwen een rotsvaste plaats veroverd. De Nederlandse situatie lijkt in niets op die in verre buitenlanden waar voorbehoedmiddelen door kerk en overheid worden geboycot.

De Nederlandse vrouw liep met pilgebruik voorop, in een maatschappij waarin abortus geen traditie was. Vrouwen die in de jaren zestig na voltooiing van hun gezin aan de pil gingen, merkten dat hun dochters in de jaren zeventig de pil gebruikten, zelfs vóór ze kleinkinderen zagen. Die laatste vrouwen kregen laat kinderen, maar begeleiden nu hun dochters naar de huisarts voor het eerste pilrecept. In de moederlijke overerving van kennis over eerste en laatste menstruatie, zwangerschap, inrichten van de babykamer en opvoeden van de kinderen, wordt tegenwoordig ook kennis over de pil meegeleverd.

Er is geen arts nodig om een pil voor te schrijven. Vrijwel geen arts kiest een pil bij de vrouw die voor hem zit. Dat kan ook niet. De dokter kiest op grond van eigen afspraken en emoties: traditie, afspraken in het farmacotherapie-overleg, de vriendelijke artsenbezoeker of een Nederlands fabrikaat. Bijwerkingen zijn er soms, maar ze zijn niet te voorspellen en de meeste vrouwen hebben geen last van de 'sub-50' pillen die al tien tot twintig jaar op de markt zijn.

Zijn er klachten over bijwerkingen (tussentijdse bloeding, gespannen borsten, minder zin in seks, zwaarder worden) dan kan een ander merk worden geprobeerd.

Er zijn ziekten die door de pil kunnen verergeren of waarbij de pil niet goed werkt. Maar het heeft geen zin om anderhalf miljoen vrouwen onder medische controle te houden als het om ziekten gaat die in de vruchtbare leeftijd nog zeldzaam zijn. Alle vrouwen met die ziekten zijn onder controle van een arts. Die arts hoort bij die vrouwen in de vruchtbare leeftijd de kinderwens en anticonceptie aan de orde te stellen. Hetzelfde geldt bij het voorschrijven van antibiotica.

En als iemand toch hulp van een dokter wil bij het voorschrijven van de pil? Het is niet verboden om voor het eerste pilgebruik, of bij opnieuw beginnen, een arts te consulteren. De verzekering betaalt dat consult.

En dat is maar goed ook, want het enige bezwaar tegen de pil bij de drogist is wellicht de drogist zelf. Wie wel eens bij Trekpleister, Etos of een grote DA-drogist naar paracetamol heeft gevraagd en daarop het advies kreeg om maar echinaforce of nysileen aan te schaffen, zal weinig vertrouwen hebben in de kennis en voorlichtingskunde binnen het drogisterijbedrijf. Gelukkig bestaat er geen homeopathische pil.