Voorzichtig

NA DE UITSPRAAK van de Hoge Raad in juni vorig jaar over de psychiater Chabot waarschuwde een annotator in de Nederlandse Jurisprudentie dat dit feitelijk neerkwam op een “generaal pardon” voor euthanasie. Dat was sterk overdreven gezien de nadruk die het hoge rechtscollege had gelegd op de “uitzonderlijk grote behoedzaamheid” die is geboden, juist in gevallen van psychisch lijden - waar het in de zaak-Chabot om ging. Na de uitspraak van het medisch tuchtcollege in dezelfde zaak dreigt nu het andere uiterste. De berisping die dit college uitdeelde, zou de “grensverleggende” uitspraak van de Hoge Raad terugschroeven. Dit doet echter geen recht aan de vraag van existentiële zelfbeschikking die hier in het geding is.

Het is natuurlijk wèl ingewikkeld, zo'n dubbele berechting. Maar er kan geen twijfel bestaan over de rangorde: een uitspraak van de Hoge Raad gaat vóór de beslissing van een tuchtcollege. Bij euthanasie of hulp bij zelfdoding staat de strafbaarheid nog steeds voorop. Rechtvaardiging is mogelijk voor de zorgvuldig handelende arts, maar deze rechtvaardigingsgrond vormt niet een blanco 'medische exceptie' en blijft onderworpen aan het oordeel van de gewone rechter. Bij het formuleren van de professionele zorgvuldigheidsnormen heeft de medische tuchrechter uiteraard een belangrijke taak, maar deze is aanvullend ten opzichte van de algemene, strafrechtelijke normvorming.

Zo ook hier. Net als de Hoge Raad tilt het tuchtcollege er zwaar aan dat Chabot niet had gezorgd voor eigen onderzoek van de patiënte door een tweede arts. Het tuchtcollege kleurt het element van objectiviteit nu alleen nog wat verder in, bijvoorbeeld door op te merken dat de psychiater zelf niet op alle onderdelen voldoende professionele afstand tot de hulpvragende vrouw had bewaard. Dit soort bijzonderheden zijn typisch het werkterrein van een tuchtrechter.

HET HOOFDBEZWAAR van het medisch tuchtcollege is dat Chabot beter had moeten proberen de vrouw onder behandeling te krijgen. Opeenvolgende korte toediening van verschillende antidepressiva hadden haar grote verlies weliswaar niet kunnen wegnemen maar haar wellicht toch enigzins toegankelijk kunnen maken voor eventuele verdere behandeling. Ook dit sluit aan bij de uitspraak van de Hoge Raad, die in juni verklaarde dat een arts zich in beginsel niet kan beroepen op overmacht indien “een reëel alternatief door de betrokkene in volle vrijheid is afgewezen”.

Dat gaat ver, aangezien het tot eenieders recht behoort een medische behandeling te weigeren, maar valt te verklaren uit het bijzonder riskante karakter van euthanatische hulp aan psychiatrische patiënten. Het tuchtcollege heeft het over korte behandelingen die niet zo belastend zijn dat ze van een patiënt niet zijn te vergen, en verlangt dus niet het onmogelijke.

De conclusie is duidelijk: de opwinding over de uitspraak van de Hoge Raad was overdreven. De Hoge Raad heeft het hek niet van de dam gehaald en de beslissing van de medische tuchtrechter past geheel in deze voorzichtige lijn. Hoogstens kan men zich afvragen waarom het tuchtcollege een daadwerkelijke sanctie, berisping, oplegde terwijl de Hoge Raad het hield bij een schuldigverklaring zonder oplegging van enige straf. Anderen zullen zich overigens afvragen waarom het tuchtcollege niet een zwaardere sanctie heeft verbonden aan zijn niet geringe kritiek. Het vervelende is alleen dat beide rechters zich van dit belangrijke punt hebben afgemaakt met een vage standaardformule.

DE PRINCIPIËLE boodschap van de zaak-Chabot is intussen recht overeind blijven staan. In navolging van de Hoge Raad zegt nu ook het medisch tuchtcollege dat het in beginsel niet valt uit te sluiten dat aan de stervenswens van mensen die psychisch lijden een autonome wilsbepaling ten grondslag ligt. “Never say never”, is een zuinige boodschap. Maar betekenis valt daaraan niet te ontzeggen.