Profijtbeginsel van bibliotheken werkt cultuurbarbarij in de hand

De afschaffing in 1987 van de Wet op het Openbare Bibliotheekwerk heeft tot grote verschraling van het aanbod in bibliotheken geleid. Volgens Arie van den Berg is poëzie is het stiefkind in de openbare bibliotheken. Als er een oplossing is, ligt die in handen van de overheid.

Ook in letterenland tellen de cijfers. Dichters voelen het ieder jaar weer aan den lijve wanneer ze bericht krijgen over hun leenvergoeding. “Door middel van een steekproef bij 79 openbare bibliotheken”, meldt de staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschappen (OCW) dan bijvoorbeeld, “is vastgesteld dat uw 5 publikaties 11 maal zijn uitgeleend. Krachtens de volgens de wet geldende berekeningssystematiek is uw leenvergoeding vastgesteld op 9,40 gulden. Dit bedrag zal zo spoedig mogelijk worden overgemaakt.”

Bij zo'n brief gaat zelfs een fervent voorstander van leenvergoeding twijfelen aan de zin van cultuurpolitiek. Heeft zo'n onrendabele transactie een ander nut dan ambtenaren aan het werk te houden? Alleen de portokosten van de wederzijdse correspondentie waren immers al duurder dan die 9,40 gulden.

Maar het is niet dit soort vragen dat gesteld moet worden. Voor mijzelf was het leenvergoedingsbericht de aanleiding om bij mijn uitgever te informeren hoeveel exemplaren van mijn in 1994 verschenen dichtbundel Blijmoedig aan het graf te denken door openbare bibliotheken waren aangekocht. Het antwoord was even verbijsterend als verklarend: van de 1.200 exemplaren werden er slechts 24 door de bijna 1.200 openbare bibliotheken in Nederland afgenomen. En daarmee was ik wat je noemt een bestverkoper, want Benno Barnards prachtige Tijdgenoten ging in maar 10 exemplaren naar de publieke leeszalen.

Overleg met de Groep Algemene Uitgevers van de KNUB bracht soortgelijke cijfers voor andere bundels op tafel: Laaglandse hymnen van H.H. ter Balkt 17, Het Hotel van Maria van Daalen 11, Muziek voor de overtocht van Stefan Hertmans 13, Grondheer van Thomas Lieske 16, en De ingeland van Tonnus Oosterhoff 11 (ondanks de bekroning met de Herman Gorterprijs). En dan zwijgen we maar over de 4 exemplaren van Jacob Groots Losse Schuur, of de 2 van Lucas Husgens Nevels orgel.

Er zijn weliswaar ook titels die ruimer werden ingekocht, maar de verkoopcijfers daarvan lijken een bevestiging van de gedachte dat poëzie geen waarde heeft voor openbare bibliotheken. Voor de nieuwe bundel van P.C. Hooftprijswinnaar J. Bernlef lijkt 113 een absoluut onderbod, en ook de 106 exemplaren van Hugo Claus' Gedichten 1948-1993 zijn straks, denk ik, moeilijk terug te vinden in de 1.200 openbare leeszalen.

Inmiddels heeft uitgever Maarten Asscher, directeur van Meulenhoff, een hartekreet gericht tot de Nederlandse Bibliotheekdienst (NBD). Deze instelling regelt de centrale inkoop van alle openbare bibliotheken in ons land en zou volgens Asscher dus opheldering kunnen geven over de geringe inkoop van De gevelreiniger en anderen, een lovend gerecenseerde dichtbundel van Arjen Duinker. Die opheldering kwam er en was duidelijk. Wij zijn er “niet voor inhoudelijke beoordeling en evenmin om de bibliotheken aan te raden van welk soort boeken zij méér moeten nemen dan van andere”, schrijft drs. A. Blom. “Voor ons is de markt een gegeven. Wij reageren op de vraag.”

Als directeur van de NBD kon Blom ook niet anders reageren. Voor een inhoudelijke reactie verwees hij naar de vereniging van openbare bibliotheken NBLC. De directeur van deze organisatie, drs.R. van der Velde, toonde zich in een welwillende brief ten zeerste aangesproken “alhoewel wij geen zeggenschap hebben over het concrete aankoopbeleid van onze leden-bibliotheken en hun collectioneringsbeleid”.

De bibliotheekwereld is dus welwillend, maar aan handen en voeten gebonden. Van der Velde kan niet meer dan melden dat hij de redactie van het vakblad Bibliotheek & Samenleving verzocht heeft aan het collectioneringsbeleid van Nederlandse literatuur in het algemeen, en poëzie in het bijzonder, aandacht te schenken en daarover een polemiek uit te lokken. Bovendien is er, schrijft hij, in samenwerking met het ministerie van OCW een onderzoek in voorbereiding naar het collectioneringsbeleid en de selectiecriteria van openbare bibliotheken. Op basis daarvan “hopen wij op branche-niveau tot zekere gemeenschappelijke beleidsafspraken te komen”.

Als er bij al dat hoopvol polemiseren en onderzoeken maar niet vergeten wordt dat het hier gaat om jaarlijkse subsidiestromen van ruim 620 miljoen gulden. Dat geld is weliswaar niet alleen bestemd voor de aanschaf van boeken, maar van een krap inkoopbudget is allerminst sprake. De bibliotheken hebben bovendien een ruime korting op de prijs per boek.

Wat beweegt de openbare bibliotheken dan om steeds minder Nederlandse en vertaalde literatuur op hun planken te zetten? Vijftien jaar geleden nog maar waanden filiaalhouders van leeszalen zich waakhonden van cultuurspreiding. En inderdaad werden toen nog minstens honderd exemplaren van bijna elke pas verschenen literaire publikatie ingekocht. De Wet op het Openbare Bibliotheekwerk bood daar ook alle ruimte voor. Het rijk was gul wanneer het ging om de toegankelijkheid van informatie - zeker als die deel uitmaakte van ons culturele erfgoed.

In 1987 echter nam de regering afstand van haar bibliothecaire verantwoordelijkheid. De amper twaalf jaar oude Wet op het Openbare Bibliotheekwerk werd vervangen door het minimale voorschrift dat er in elke Nederlandse gemeente een bibliotheekvoorziening moet zijn. Sindsdien is het openbare bibliotheekgebeuren per dorp, stad, streek of provincie geregeld. En helaas willen de politici in deze beperkte contreien de prioriteit van het leesgoed zelden boven die van een buurthuis of sporthal stellen.

NBD-directeur Blom schetst de gevolgen van de acht jaar geleden ingevoerde decentralisatie zo raak als maar kan in het Boekblad van 24 februari jl. “De trend om je te concentreren op rendement”, stelt hij daar, “is uit nood geboren. Wie zijn subsidie wenst te behouden, schaft boeken aan die scoren. De overheid vraagt namelijk meetbare resultaten. De informatiefunctie valt niet te meten. Dus gooit men de boeken eruit die weinig geleend worden.”

De conclusie dringt zich op. Het is dus de overheid (op alle niveaus) die in eerste instantie verantwoordelijk is voor de vercommercialisering van ook dit deel van ons culturele erfgoed. In het mulle spoor van de kijcijfers en hun vertrossing dicteren de uitleencijfers nu het literaire aanbod in de openbare bibliotheken. En dat gaat niet alleen ten koste van het assortiment dichtbundels. Ook essaybundels, toneelwerken en zogenaamd moeilijke romans worden minimaal ingekocht. Zelfs zo'n internationaal geroemd meesterwerk als Geheugen, spreek van Vladimir Nabokov 'scoorde', in een nieuwe, briljante vertaling van Nijhoffprijswinnaar Rien Verhoef, niet meer dan 22 exemplaren.

In haar 'Notitie openbaar bibliotheekwerk' stelt de rijksoverheid dat informatie een democratisch goed is en dus geen bezit of monopolie van enkelen mag worden. De openbare bibliotheek moet zich dan ook “richten op haar culturele en inhoudelijk informatieve missie en niet bijvoorbeeld uit marktgerichtheid zich bezig houden met het actuele, het goedlopende en/of het recreatieve”.

De woorden zijn er, maar de daden weerspreken ze. Gunstige uitzonderingen daargelaten, worden de openbare bibliotheken in ons land beheerd volgens het profijtbeginsel. 'Help onze openbare leeszaal', las de dichter Jan Kuijper op een spandoek tijdens de Deventer boekenmarkt. En hoe kon je die leeszaal helpen? Door de bibliotheekexemplaren van dichtbundels te kopen, die ze stonden te verpatsen voor een gulden.

Is er een oplossing, een tegengif tegen de cultuurbarbarij die het huidige bibliotheekbeleid vertoont? Eén ding is zeker: het openbare bibliotheekwezen zelf is te verdeeld om op eigen kracht uit het cultureel faillissement te komen. Aan de literatuur ligt het niet, durf ik optimistisch te stellen. Op een poëzieavond in de bibliotheek van Voorschoten verkocht een plaatselijke boekhandelaar ruim 40 exemplaren van mijn pas verschenen dichtbundel (dus 16 meer dan de NBD had ingekocht).

Als er een oplossing is, ligt die in handen van de stadssecretaris van cultuur. Weliswaar kan hij onder de huidige omstandigheden net zo min een beleid opleggen als het NBLC, maar hij zou misschien voor een deel in het kader van leesbevordering - een literair collectioneringsbeleid kunnen stimuleren. In literaire wandelgangen wordt al gekscherend gesproken over een jaarlijkse 'Poëzieveer' voor de openbare bibliotheek die uitblinkt in de promotie van het lezen van dichtbundels. Maar ook in de directe subsidiesfeer zijn er mogelijkheden.

De Noorse regering heeft een gul voorbeeld gegeven. Van iedere moeilijk verkoopbare literaire titel worden in Noorwegen op staatskosten 1.000 exemplaren voor de openbare bibliotheken gekocht. Een hardnekkig gerucht wil dat een groot deel van deze schenkingen in het vuilnisvat verdwijnt. Zeker is dat de oplagecijfers van Noorse dichtbundels door de staatsaankoop worden geregeerd. De gemiddelde oplaag van een poëziebundel in Noorwegen is 1.600 tot 1.800 exemplaren. Daarvan gaan er dus 1.000 naar de bibliotheken. Zo'n 'ongezonde' relatie verdient geen navolging. Een terugkeer naar de Nederlandse situatie van de jaren '70 en '80 lijkt comfortabeler. De inkoop van de openbare bibliotheken was toen wezenlijk ondersteund voor de uitgave van literaire boeken.

Het lijkt ook onverstandig om kleine bibliotheekfilialen culturele verplichtingen op te leggen. Via het interbibliothecaire leenverkeer kan iedereen een boek van zijn gading in huis halen. Maar dat boek moet dan wel ergens bereikbaar zijn. Misschien is het een goed idee om honderd over het land verspreide grote openbare bibliotheken extra budget te bieden voor de aankoop van een literair representatief assortiment. Dat de uitleencijfers van deze voorraad minder glorieus zullen zijn dan die van thrillers en CD's staat bij voorbaat vast. Het voordeel van gesubsidieerde instellingen is echter dat er geen aandeelhouders zijn. De overheid moet zich dus ook niet als zodanig gedragen. Het lijkt veeleer haar taak om de leners op creatieve wijze te stimuleren gebruik te maken van het literaire aanbod. Leesbevordering dus.