Opwinding over ondergronds tracé voor de Betuwelijn

Het is 11 mei 1993, vier dagen voor het besluit van het kabinet-Lubbers III over de Betuwelijn. In het Haagse perscentrum Nieuwspoort presenteren de provincies Gelderland en Zuid-Holland een onderzoek naar ondergrondse aanleg. Zo'n tunnel hoeft niet meer te kosten dan een bovengronds aangelegde Betuwelijn, betogen ze, als tenminste gebruik wordt gemaakt van een speciale, door de Delftse hoogleraar R. van der Hoorn ontworpen boortechniek. Van der Hoorn heeft een negentig meter lange, ondergrondse boormachine ontworpen, die als een soort gemechaniseerde mol een tunnel graaft.

Minister Maij-Weggen is op het laatste moment verhinderd. Pas de volgende dag, woensdag, geeft ze een reactie. Volgens het ministerie van verkeer en waterstaat is ondergrondse aanleg van de Betuwelijn twee tot vier keer zo duur als bovengrondse. Ook duurt het langer. Die vrijdag besluit het kabinet tot bovengrondse aanleg van de Betuwelijn, die, aldus de minister, op een “mooie en elegante mannier” zal worden aangelegd. De plannen van Van der Hoorn noemt ze “incompleet” en “volksverlakkerij”.

Vijf dagen later, 18 mei. De Tweede Kamer besluit zich mee te laten voeren op de golven van de publieke verontwaardiging. Het kabinetsbesluit is niet naar het parlement gestuurd, maar erger is dat het onderzoek van Gelderland en Zuid-Holland is genegeerd. Maij-Weggen zegt een onafhankelijke studie naar de methode-Van der Hoorn toe. De studie verschijnt eind augustus en laat van ondergrondse aanleg geen spaan heel.