Hoge Raad botst niet met tuchtcollege

NRC Handelsblad van donderdag 30 maart besteedt aandacht aan de uitspraak van het Medisch Tuchtcollege te Amsterdam in de zaak-Chabot. De krant meldt dat de “uitspraak die het Medisch Tuchtcollege vanochtend heeft gedaan in de zaak Chabot... haaks (staat) op het vonnis van de Hoge Raad”. Dat deze stelling juist zou zijn, blijkt echter niet uit hetgeen verder wordt vermeld over de uitspraak van het Medisch Tuchtcollege.

Ik meen dat de stelling niet juist is. Het verschil van inzicht wordt waarschijnlijk veroorzaakt doordat onvoldoende wordt onderkend dat de beide uitspraken ieder een eigen invalshoek hebben en door mogelijk misverstand over het arrest van de Hoge Raad.

Het arrest van de Hoge Raad was een beslissing op het cassatieberoep van de procureur-generaal (PG) bij het gerechtshof te Leeuwarden. De Hoge Raad kon in zijn uitspraak niet treden buiten hetgeen de PG in zijn cassatieberoep aan middelen had aangevoerd.

De Hoge Raad achtte, anders dan de PG, een beroep op noodtoestand niet zonder meer uitgesloten, enkel en alleen omdat het ondraaglijk en uitzichtloos lijden niet een somatische (lichamelijke) oorzaak heeft en de patiënt niet in de stervensfase verkeert. Maar wanneer er geen somatische oorzaak aanwezig is, is het extra moeilijk om de ernst en de mate van uitzichtloosheid objectief vast te stellen, zodat de rechter volgens de Hoge Raad in zulke gevallen “met uitzonderlijk grote behoedzaamheid” moet onderzoeken of van noodtoestand kan worden gesproken.

Met betrekking tot de vrije wilsbepaling heeft het hof geoordeeld dat aan de stervenswens van personen die psychisch lijden wel degelijk een autonome wilsbepaling ten grondslag kan liggen. In zijn cassatieberoep stelt de PG dat er bij een psychiatrische patiënt nimmer sprake kan zijn van een vrije wilsbepaling. De Hoge Raad vindt echter dat het oordeel van het hof “op zichzelf niet blijk (geeft) van een onjuiste rechtsopvatting”.

Maar volgens de Hoge Raad heeft het hof onvoldoende gemotiveerd dat er in dit geval inderdaad sprake was van een vrije wilsbepaling en had het hof geen noodtoestand van de psychiater mogen vaststellen, nu er geen onderzoek van de patiënt door een tweede psychiater is geweest.

In gevallen als deze moet de rechter aan zijn onderzoek of van noodtoestand sprake is ook ten grondslag leggen het oordeel van een onafhankelijke deskundige die in elk geval de patiënt heeft gezien en onderzocht en wiens oordeel mede inzicht moet bieden in de uitzichtloosheid daarvan, evenals in andere mogelijkheden voor hulpverlening. Van hulp bij zelfdoding als een in noodtoestand gerechtvaardigde keuze is namelijk volgens de Hoge Raad in beginsel geen sprake als een reëel alternatief om het lijden te verlichten door betrokkene in volle vrijheid is afgewezen.

In het onderhavige geval was er niet een dergelijk oordeel van een onafhankelijke collega-deskundige. Bij gebreke daarvan had, aldus de beslissing van de Hoge Raad, het hof het beroep op noodtoestand moeten verwerpen.

De Hoge Raad vernietigde dan ook het arrest van het hof. De zaak had toen eigenlijk naar een gerechtshof moeten worden verwezen om het ontbrekende onderzoek te verrichten. Maar omdat duidelijk was dat na verwijzing niet alsnog zou kunnen worden beschikt over de onderzoeksbevindingen van een onafhankelijke collega-deskundige was ook duidelijk dat het gerechtshof waarnaar de zaak na vernietiging zou zijn verwezen beroep op noodtoestand zou moeten verwerpen.

Verwijzing had dus geen zin, zodat de Hoge Raad zelf heeft beslist dat Chabot zich schuldig had gemaakt aan overtreding van het in art. 294 Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde hulp bij zelfdoding, en dat Chabot daarom ook strafbaar is. Gezien de persoonlijkheid van verdachte alsmede de omstandigheden van het geval heeft de Hoge Raad echter, met toepassing van de mogelijkheid die art. 9a van het Wetboek van Strafrecht daartoe biedt, geen straf of maatregel opgelegd.