De 'snelle' bevrijding van Oost-Nederland

Voor Oost- en Noord-Nederland was de bevrijding in aantocht. “Er gaan zelfs geruchten dat er Canadeesche gevechtswagens naar ons dorp onderweg zijn”, schreef een 52-jarige Overijsselse man op donderdag 5 april 1945 in zijn oorlogsdagboek waarvan een gedeelte is opgenomen in de uitgave Dagboekfragmenten ('s Gravenhage, 1954).

“Het is nu”, zo zegt de dagboekenier, “bijna onmogelijk geworden om Milossavlievitch (een majoor van het Zuidslavische leger die bij hem zat ondergedoken - red.) binnen de deuren te houden. Hij heeft zich vanmorgen extra geschoren en gevraagd om een hoofddeksel dat eenigszins past bij zijn khaki trench-coat. Het oog is daarbij gevallen op mijn eenige alpinomutsje en zoo prijkt nu daarop de dubbele adelaar van het Koninkrijk der Serven, Kroaten en Slovenen (...). Er zijn op straat allerlei vreemde geluiden, geschreeuw en motorgeronk (...) De tanks, de tanks! Tanks - tanks - tanks. De tanks - rrrrrrr - de tanks. Sirenes, sirenes dichterbij. Aoeaoeaoea ... Kletterende geluiden. Tanks!' wordt er geschreeuwd, tanks. Ze zijn der', gillen ze van een andere kant. Een bruine pyramide op enorme wielen, bekroond met vier of vijf dunne sprieten, is even, heel even zichtbaar boven de vlierstruiken tusschen den weg en het kantoor. Een vreeselijk gebrul klinkt van alle kanten. Aan de overkant van den weg schiet een vlag omhoog, langs een stok die ik daar nog nooit had gezien. Weer van die pyramides, nu met dik ingepakte soldaten tusschen de kreeftachtige sprieten: menschen in gepantervlekte duikerpakken, met koptelefoons en valhelmen. De tanks, de tanks!'. Bruingrijs, als beschimmelde olifanten. Een ceriseroode zijden lap wappert voorbij als een krankzinnig détail in een wekdroom. Een spriet met een vossestaart, als een spartelende visch aan een hengel. Het is natuurlijk een droom. Allicht. Bevrijding door beschimmelde pyramides op wielen, met rose lappen en een vossestaart aan een hengel - ik ken dat. Psychanalyse. Bevrijding! Jawel! Ik krijg keelpijn, en er trekt een floers voor mijn oogen. Neen, ik kan niet meer doortikken. De meisjes kijken me aan. Ik huil. Ik huil, hardop. Ze beginnen allemaal te huilen. Hou je flink vader', zegt Fifi. Ja, toe maar - je moet maar kunnen. Ik geloof dat ik beter kan ophouden met dit laatste hoofdstuk van mijn bezettingsdagboek ...

Wat de Overijsselse dagboekschrijver waarschijnlijk niet wist, was dat koningin Wilhelmina een kleine maand eerder in Nederland was teruggekeerd. In Eede (Zeeuws Vlaanderen), het dorp waar op 19 mei 1940 de laatste, nog strijdende Nederlandse troepen over de grens waren getrokken, maakte zij op 13 maart haar rentree. Waar de 64-jarige vorstin heen zou gaan, wat haar reisroute en haar reisdoelen waren, bleef vooralsnog heel onduidelijk. Met haar politieke bedoelingen was dat echter allerminst het geval, vertelt dr. H.J.C. Termeer, de auteur van Het geweten der natie. De voormalige illegaliteit in het bevrijde Zuiden; september 1944 - mei 1945 (Assen, 1994) in zijn bijdrage aan het boek Tussen vrijheid en vrede. Het bevrijde Zuiden. September 1944 - Mei 1945 (Zwolle, 1994). “Wilhelmina wilde bij haar helden, bij de mensen van het verzet zijn. Ze wilde zich omringen met wat zij wel eens 'de nieuwe adel' had genoemd. In tien dagen werkte zij een overvol programma af. Het bestond uit bezoeken aan enkele dorpen en niet minder dan twintig grotere plaatsen in Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. Bij die bezoeken wilde ze met verzetsdeelnemers praten.” Het voornaamste gesprekspunt was waarschijnlijk 'de vernieuwing' die de koningin en haar, in februari 1945 geformeerde, ministersploeg op het oog hadden. Aan uitbreiding van het stelsel van de parlementaire democratie werd nauwelijks gedacht. Het ging allereerst om de mogelijkheden van vergroting van de macht en de invloed van het staatshoofd. Dat soort vernieuwing. Termeer voegt er nog aan toe dat koningin Wilhelmina, “die in het katholieke zuiden nooit erg bemind was, er in de eerste maanden van '45 in geslaagd is om een echte moeder van het volk te worden”.

Op het ogenblik van het koninklijk bezoek aan het bevrijde zuiden was reeds beslist welke geallieerde operaties zich via Nederlands grondgebied zouden afspelen. Het primaire doel daarvan was niet zozeer dat Nederland, dat in militair-strategische zin voor de geallieerden van heel weinig betekenis was, bevrijd moest worden, maar dat er een aanvoerroute naar Noord-Duitsland tot stand zou komen.

Deze taak was door veldmaarschalk Montgomery opgedragen aan de 57-jarige Canadese generaal Henry Crerar die bij het slotoffensief tegen Duitsland in de noordelijke sector het bevel voerde over een half miljoen militairen. Zijn Canadian Armycorps had in begin maart 1945 bij het Duitse Wesel de Rijn bereikt. Nu moest het vanuit Duits gebied terug naar Nederland. De opdracht was een aanvoerroute te openen die bij Arnhem de Nederrijn zou passeren en ter hoogte van Zutphen de IJssel. Ook moesten zij ervoor zorgen dat Noordoost-Nederland, de kuststrook tot aan de Elbe als ook West-Nederland van de vijand zouden worden gezuiverd.

De eerste taak voor de Canadezen was om dat te bereiken (het hooggelegen terrein tussen Arnhem en Apeldoorn) wat een half jaar eerder bij de operatie Market Garden was mislukt. Op 2 april begon deze revanche-operatie. Veel Duitse troepen waren er niet meer, zodat het binnen twee dagen voor elkaar was. Overigens werd het oostelijke deel van de Achterhoek en van Twente niet door Canadese maar door Britse eenheden veroverd. Deze eenheden vormden de linkervleugel van het Tweede Britse Legerkorps dat tot taak had de Noordduitse laagvlakte tot aan de Elbe in te nemen. De strategische draaibeweging die daarvoor noodzakelijk was, schampte het Achterhoekse grensgebied. Op weg naar Groenlo, Haaksbergen en Enschede maakten de Britse troepen weinig Duitse weerstand mee.

In dit deel van Duitsland was generaal Johann Blaskowitz (1883-1948) bevelhebber geworden. Hij was in het begin van de oorlog niet alleen commandant geweest van het Duitse 8ste Leger bij de veldtocht in Polen, maar hij was ook een van de weinige topmilitairen die ooit openlijk protesteerden tegen het optreden van de SS en tegen de wijze waarop de joden werden behandeld. Nu, in maart/april 1945, zag hij in dat zijn troepen zich in een hopeloze situatie bevonden. Zij konden het front niet gesloten houden. Blaskowitz vreesde dat het Duitse Leger in West-Nederland door de Canadese opmars ingesloten zou raken en adviseerde daarom Hitler om Nederland (met uitzondering van Groningen) en een flink deel van Noord-Duitsland los te laten en prijs te geven. Dan zou er elders nog een gestructureerde verdediging zijn op te bouwen.

Maar Hitler wilde niets van Blaskowitz' advies weten. Het Oberkommando der Wehrmacht (OKW) vond de situatie nog niet hopeloos en generaal Blaskowitz kreeg het verbod om nog ooit zo'n situatiebeoordeling naar zijn superieuren te sturen.