DAME LUCIE RIE 1902 - 1995; Keramiste met allure

De Engelse pottenbakster Dame Lucie Rie, die zaterdag op 93-jarige leeftijd is overleden, was verknocht aan de draaischijf en verknocht aan schalen en vazen. Tot 1990, toen een beroerte haar trof, werkte ze meer dan vijfenzestig jaar - met een onderbreking tijdens de Tweede Wereldoorlog - aan een oeuvre van even geraffineerde als sobere keramiek. De ambitie om grote kleisculpturen te maken was haar vreemd. Voor een docentschap bleek ze te perfectionistisch en een kort contact met de Wedgwoodfabrieken liep op niets uit: voor een rol als industrieel vormgever was ze ongeschikt.

Lucie Gompertz (na haar huwelijk in 1926 met de ondernemer Hans Rie nam zij de naam van haar echtgenoot aan) was de dochter van een vermogende joodse keel-, neus- en oorarts in Wenen. Vooral omdat de Kunstgewerbeschule in de directe omgeving van haar ouderlijk huis stond, schreef het beschut opgegroeide meisje zich na haar gymnasiumtijd in bij de befaamde kunstnijverheidsschool. Ze kwam terecht in de keramiekklas van Michael Powolny, een van de oprichters van de Wiener Werkstätte. Powolny was een goed technicus, maar zijn plastieken bestonden voornamelijk uit neo-rococo blote-kinderen-met-bloemen. Zijn leerlinge trad gelukkig niet in zijn voetsporen en begon al snel met het uitvoeren van aardewerk gebruiksgoed dat paste in de moderne villa's van architecten als Josef Hoffmann. Ook de vroegste ontwerpen van Lucie Rie zijn sophisticated en missen alles wat naar rustieke volkskunst zweemt.

Voor de Anschluss had Rie al succes behaald in Oostenrijk, Frankrijk en Italië. Maar toen het echtpaar Rie eind 1938 voor de nazi's naar Engeland uitweek, was de reputatie van de Weense keramiste daar niet doorgedrongen. Rie toonde haar meegenomen objecten aan Bernhard Leach, destijds de invloedrijkste keramist van Engeland. Leach vond de schalen en vazen niet 'humaan' en niet 'dienend'. Bovendien was het glazuur te dik en de wand te dun. Lucie huurde een atelierruimte, maar toen de oorlog uitbrak, ging ze - inmiddels gescheiden - voor een fabriek in Soho knopen maken.

In 1946 ontmoette ze Hans Coper, een Duitse emigrant. Hij wist niets van keramiek, maar Rie nam hem als haar assistent in dienst. Tussen beiden ontstond een hechte vriendschap en het is de verdienste geweest van Coper, zelf later een belangrijk keramist, Lucie ervan te overtuigen dat ze haar vroegere Weense ambacht weer moest opvatten.

Nieuwe inspiratie kreeg Rie bij een bezoek aan het museum in Avebury, waar Bronstijdpotten met ingekerfde versieringen te zien waren. In de kommen en langhalzige vazen uit de jaren daarna is een ritmisch netwerk van fijne 'geëtste' lijnen aangebracht.

Een uitgebreide solotentoonstelling in de Londense Arts Council Gallery in 1967 bracht Rie grote erkenning. Ze werd beschouwd als een eminent keramiste. Steeds meer musea kochten haar werk en de prijzen stegen navenant. Het hoogtepunt van haar kunst viel in de jaren zeventig en tachtig. De altijd al ranke schalen worden nog eleganter, de stralende kleuren winnen aan intensiteit. Onveranderd blijft de harmonie tussen vorm en decoratie. Lucie Rie's keramiek, gebaseerd op de beproefde draaitechniek en in wezen simpele glazuurrecepten, heeft dan door de trefzekere intuïtie en de gedistingeerde allure van de Engels geworden Wienerin een uitzonderlijk niveau bereikt.