Croiset heeft complexe èn vage visie op Faust

Voorstelling: Faust van C. Gounod door de Nationale Reisopera en Het Brabants Orkest o.l.v. Ed Spanjaard. Regie: Hans Coriset. Gezien: 1/4 Stadsschouwburg Eindhoven. Tournee t/m 2/5.

Het debuut als operaregisseur dat toneelregisseur Hans Croiset nu bij de Nationale Reisopera maakt met Faust van Gounod is een van de opmerkelijkste, nu steeds meer Nederlandse toneelregisseurs in opera een nieuw werkterrein vinden. Croiset (60) is van hen niet alleen de oudste en de meest ervaren theatermaker, zijn operadebuut met dit stuk is ook het langdurigst voorbereide. Croiset wilde al twintig jaar geleden opera doen, hij las Goethes Faust I & II al op zijn zeventiende en regisseerde beide stukken in 1985 bij De Appel.

Niettemin had Croiset zoveel aarzelingen bij het aanvatten van zijn eerste operaregie, dat hij eerst nog Gounods Faust ging bekijken tijdens een Russische voorstelling in Tel Aviv en in een regie van Willy Decker in Keulen. In een interview zei hij dat die twee uiteenlopende voorstellingen hem niet hebben beïnvloed, omdat zijn eigen ideeën al vaststonden. Opvallend is het dus te constateren dat Croisets voorstelling van Gounods Faust een onmiskenbare overeenkomst vertoont met de enscenering van Berlioz' La damnation de Faust, zoals Harry Kupfer die in 1989 regisseerde bij de Nederlandse Opera.

Kupfer liet Berlioz' Faust spelen in een theater dat tijdens het pandemonium in tweeën scheurt. Ook Croiset situeert Gounods Faust in een besloten ruimte. Het decor van Tom Schenk - tien jaar geleden ook al de vormgever van Croisets Faust - toont het topje van de wereldbol. Die is omringd door ijzige leegte, geschilderd op wanden die een binnenplaats omsluiten. De bovenkant daarvan wordt opgetild aan het eind van de scène waarin Faust en Marguérite elkaar ontmoeten: hun relatie scheurt dus en Croiset laat die spleet later nog veel groter worden.

Die spleet is de sleutel tot een complex concept, waarin Croiset aansluit op zijn vorige Faust-enscenering. Faust bij De Appel was een geleerde in een midlife-crisis. Deze Faust is oud, hij zit in een rolstoel in een gesticht, dat later herinnert aan Charenton, de krankzinnigeninrichting waarin Napoleon markies De Sade liet opsluiten. Faust wil met gif auto-euthanasie plegen, maar dan splitst Méphistophélès zich van hem af.

De duivel vertoont uiterlijk sterke gelijkenis met Faust en vertegenwoordigt zo het slechte deel van zijn schizofrene 'ik'. De rolstoel wordt ingeruild voor een motor met zijspan en daarmee rijden ze de wijde wereld in. Op zoek naar jeugd en plezier met het onschuldige meisje Marguérite verbreidt Faust echter dood en verderf in de toch al zo treurige 20ste-eeuwse wereld.

Net als tien jaar geleden speelt de heksensabbat zich tijdens de Walpurgisnacht af in een destijds al als clichématig ervaren SM-sfeer met veel zwart leer, motorduivels en strenge meesteressen in zwart ondergoed. Faust is omringd door een trio van halfnaakte leernichten aan hondenkettingen, Méphistophélès is de hogepriester in deze Satanskerk, waarin een naakt evenbeeld van Botticelli's uit een schelp geboren Venus wordt binnen gedragen op een kruis, terwijl Marguérite vastzit in een dwangbuis.

Uiteindelijk wordt Marguérite wel verlost uit dit sadistisch universum: er wordt tenminste gezongen dat ze is 'gered'. Maar wat we zien is geheel onduidelijk, in ieder geval geen overwinning op de duivel. Een deel van de slotscène, waarin Botticelli's engelachtige Venus Marguérite te hulp komt, werd bij de première weggelaten. Wat er tenslotte van Faust wordt is al even vaag. Méphistophélès, het slechte, maar ondernemende deel van Faust, is in de vertolking van Daniel Sumegi heel wat interessanter dan zijn verlangende, maar toch bijna willoze officiële 'ik', dat in de verstarde vertolking van de wat mat zingende Glenn Winslade steeds schimmiger uit de handeling verdwijnt.

Dat ligt gedeeltelijk aan Gounod, die zich meer concentreert op het slachtoffer Marguérite dan op het titelpersonage Faust. In Duitsland, waar men vindt dat deze opera nauwelijks nog met Goethes held van doen heeft, heet het stuk dan ook Marguérite. Gounods Faust, voor het eerst sinds heel lang in ons land uitgevoerd, legt het ondanks de lekkere muziek - goed gespeeld door het Brabants Orkest o.l.v. Ed Spanjaard - voor mij af tegen die van Berlioz. Zijn Damnation de Faust is immers zoveel beknopter, flitsender, contrastrijker en theatraler - bovendien muzikaal zóveel interessanter.

Tot dat onbevredigende slot levert deze Faust ook al niet meer dan een redelijke, en vooral voor de pauze ook onevenwichtige voorstelling op. Die voegt zelfs een nieuwe, bijna drieëneenhalf uur durende versie toe aan de vele die er al zijn van dit werk met een langdurige en moeizame ontstaansgeschiedenis. De vijf actes zijn nu ineengeschoven tot vier, er werd van alles gecoupeerd, ook de balletten, maar daarvan wordt geen enkele verantwoording afgelegd in het programmaboek (met een schamele synopsis) en het Reisopera-krantje.

Croiset bewijst zijn vakmanschap in het modelleren van enkele individuele acteerprestaties. Vooral bij Xenia Meyer (een ontwapende Siébel) en Angelina Ruzzafante, die een visueel en vocaal uitstekende uitbeelding geeft van de onschuldige Marguérite. De Geleense sopraan zong met een ingetogen lyriek en glorieerde in de milde coloraturen van de juwelen-aria Ah... Je ris de me voir.