Bloedwraak in Bohemen

Soms lijkt het samenleven van naties verdacht veel op een familiale aangelegenheid. Neem bijvoorbeeld de kwestie van de Sudetenduitsers, die dezer dagen weer eens de gemoederen beroert. Honderd Tsjechische en Sudetenduitse intellectuelen hebben afgelopen week een manifest gepubliceerd, waarin tot onderhandelingen tussen Duitsland en Tsjechië wordt opgeroepen. En waar met zoveel klem gevraagd wordt om verzoening kan men er zeker van zijn dat er veel onverwerkte trauma's zijn.

Dat is ook het geval. Beginnen we bij de laatste handeling in dit eeuwenlange drama: de recente uitspraak van het Hooggerechtshof in Tsjechië dat het zogenaamde Benes-decreet 108 van 1945 rechtsgeldig is. Dit decreet van de toenmalige president, waarin de confiscatie van de eigendommen van de Sudetenduitsers werd geregeld, leidde de verdrijving in van de drie miljoen Sudetenduitsers uit Tsjechoslowakije. Bij deze zuivering vielen naar schatting 250.000 slachtoffers.

Op de achtergrond van deze burenruzie spelen grote historische en morele kwesties in het 'zieke hart van Europa', zoals de historicus Seton-Watson deze regio ooit omschreef. Havel was zich dat bewust toen hij bij zijn aantreden als president in 1990 zijn excuses aanbood voor de gewelddadige verdrijving van de Sudetenduitsers uit zijn land. Hij sprak bij die gelegenheid van een 'ten diepste immorele daad'.

Daarmee leek de weg naar een verzoening te zijn geopend. Maar de gevolgen van zijn uitspraken, die hem in eigen land op een golf van kritiek kwamen te staan, waren onduidelijk. Zouden de decreten herroepen moeten worden en zou enigerlei vorm van genoegdoening aan de verdrevenen moeten worden geven? Zouden ze hun staatsburgerschap weer terug dienen te krijgen, en ook hun bezittingen? Daarover wordt nu al vijf jaar gestreden.

Havel lijkt terug te zijn gekomen op zijn genereuze woorden van toen en spreekt niet meer over deportatie van mensen maar van 'overbrenging'. In een rede zei hij onlangs: “Wij vinden alle eisen voor materiële of andere herstelbetalingen voor de bevolkingsoverbrenging absurd” (NRC Handelsblad, 13 maart 1995). De weg van de moraal naar de politiek blijft een schier onmogelijke, ook voor de koning-filosoof van Tsjechië.

Deze keten van onrecht begint al in de tijd van het Habsburgse Rijk, dat gedomineerd werd door Duitstalige bevolkingsgroepen. Het Tsjechische streven naar autonomie werd door de Oostenrijkse heersers genegeerd en droeg mede bij tot de ineenstorting van het Habsburgse Rijk aan het einde van de Eerste Wereldoorlog.

Met de gevolgen van het verdwijnen van dit multinationale keizerrijk in het midden worstelt Europa tot op de dag van vandaag. Want met de vorming van nationale staten in deze regio werd de achterafzetting van etnische minderheden voortgezet en in veel gevallen verscherpt. Zo was de Duitstalige bevolking van Tsjechoslowakije vanaf het begin tegen opname in deze nieuwe staat. De heersende groep van weleer, was ineens een verzameling tweede-rangs burgers geworden.

Zoals te verwachten viel was de loyaliteit van Duitse bevolking aan de nieuwe staat heel zwak, zeker toen na alle aanvankelijke toezeggingen Masaryk niet echt bereid bleek aanzienlijke autonomie toe te staan. De steun voor de plannen van Hitler tot annexatie van Sudetenland was dan ook groot. Gevoegd bij de Westerse appeasement-politiek in München 1938 tekende de houding van de Sudetenduitsers het doodvonnis van de staat van Masaryk en vormde zo de inleiding tot de Tweede Wereldoorlog.

Na de inlijving van wat het 'protectoraat Bohemen en Moravië' ging heten - een regime dat onvergelijkbaar veel harder was dan bijvoorbeeld de bezetting van Nederland - komt het tot de wraak van 1945. De Duitse bevolking die al achthonderd jaar in dit gebied woont wordt gewelddadig verdreven.

Zo vormt de kwestie van de Sudetenduitsers een gave illustratie van de overerving van onrecht en de voortdurende wisseling van slachtoffer en dader. In dit ongewilde verbond van generaties openbaart zich een dwang tot herhaling. Vijftig jaar na de oorlog zou men hopen dat bij het herdenken meer oog voor de achterkant van het geallieerde gelijk bestaat. Men moet zich deze fatale keten van gebeurtenissen herinneren en niet te gemakkelijk vasthouden aan een sluitend beeld van Duitse schuld.

De Duitse historicus Andreas Hillgruber bracht midden jaren tachtig de vernietiging van het jodendom in verband met de verdrijving van elf miljoen Duitsers uit het Oosten, waarbij twee miljoen mensen omkwamen. Hillgruber sprak in zijn boek Zweierlei Untergang over een joodse en een Duitse tragedie. Daarmee nam hij het risico ze als gelijkwaardig te beschouwen, hetgeen hij uitdrukkelijk ontkende te willen doen.

Hij wilde wel met die term tragedie de aandacht vestigen op de andere kant van de oorlogsgeschiedenis, die van de Duitse slachtoffers in Midden-Europa. De verdrijving was geen spontane opwelling van volkswoede, maar een zorgvuldig geplande deportatie, die in een traditie van imperialisme en etnische zuivering past. Maar bovenal wilde hij duidelijk maken dat met de vernietiging van de joodse en Duitse cultuur in Midden-Europa, het centrum van Europa uiteen werd gerafeld. Want uitgerekend de joodse en Duitse aanwezigheid vormden het bindmiddel van Midden-Europa. Met die tweeledige ondergang was het oude midden van het continent gedoemd te verdwijnen, met alle gevolgen voor Europa als geheel.

Werd Hillgruber tien jaar geleden nog hard aangevallen, nu lijkt zijn stelling in breder kring gehoor te vinden. Althans als men bijvoorbeeld af mag gaan op een beschouwing van de historicus Rudolf Hilf in het aan de SPD gelieerde blad Die Neue Gesellschaft (maart 1995). Daarin wordt de verdrijving van de Duitsers zonder omhaal van woorden als 'genocide' omschreven.

De felle toon waarmee hij het slachtofferschap van de etnische Duitsers in Midden-Europa onder woorden brengt, staat niet op zichzelf. Ook een boek als Die Selbstbewusste Nation duidt op een herwaardering van de geschiedenis en de plaats van Duitsland na de eenwording. In deze bundel kritiseert een keur van auteurs die zich bekennen tot wat 'democratisch rechts' wordt genoemd, de loochening van nationale belangen in Duitsland.

Uit het conflict over de Sudetenduitsers wordt in ieder geval duidelijk dat Duitse belangen niet zonder meer Europese belangen zijn, zoals politici en diplomaten in Duitsland ons onvermoeibaar voorhouden. Daarmee is nog niets over de legitimiteit van die belangen gezegd. Want de aandacht voor de barbaarse zuivering in de jaren '45 - '47 is op zichzelf meer dan gerechtvaardigd. De weigering van de Duitse regering om Tsjechische oorlogsslachtoffers schadevergoeding te betalen, voordat de Sudetenduitsers hun recht in enigerlei vorm hebben gehaald, verzuurt de relatie tussen beide landen echter onnodig.

De Tsjechische regering hoopt ondertussen dat de tijd zijn werk doet. Als straks alle verdrevenen dood zijn, verdwijnt het vraagstuk van de Sudetenduitsers als vanzelf. Zou het echt? Zonder verzoening duurt de animositeit tussen Duitsland en Tsjechië voort. Sommigen spreken van een 'koude vrede' tussen beide landen. Havel toonde zich bezorgd over de neiging om telkens het leed van vorige generaties op te rakelen, dat is het principe van bloedwraak. Inderdaad, de verdrevenen of hun kinderen zullen in een herhalingsdwang gevangen blijven, als er niet een vergelijk wordt gevonden. Soms lijkt het samenleven van naties verdacht veel op een familiale aangelegenheid.