Barometer Pakistan staat op zwaar weer; Aanslagen hollen gezag regering uit

Pakistan beleeft een existentiële crisis. Door toedoen van religieuze fundamentalisten en andere militante facties wordt het gezag van de regering steeds verder uitgehold. In wanhoop keren de burgers zich van de staat af. Premier Benazir Bhutto ziet werkeloos toe.

KARACHI/LAHORE, 3 APRIL. “Wij, de inwoners van Karachi”, aldus onlangs een hartekreet van een groep bezorgde Pakistaanse burgers in een lokale krant, “zijn verbijsterd over de onverschilligheid van de provinciale en federale overheid jegens ons. We staan versteld over het onvermogen van de gemeente Karachi om ons leven te waarborgen. We walgen van de incompetentie van de politie. Wij voelen ons in de steek gelaten en kunnen geen enkel begrip opbrengen voor deze onverschilligheid tegenover Karachi.”

Sindsdien zijn er al weer tientallen doden gevallen en het ziet er allerminst naar uit dat de beproefde bevolking van de stad spoedig op adem kan komen. Steeds meer valt Karachi ten prooi aan zwaar bewapende religieuze, politieke, etnische en semi-criminele facties, die elkaar naar het leven staan. Honderden onschuldige burgers zijn de afgelopen maanden in het strijdgewoel om het leven gekomen, terwijl de tegenstellingen tussen sunnieten en shi'ieten dramatisch zijn verscherpt. En de autoriteiten? Die kijken gelaten toe, af en toe tegen beter weten in roepend dat het allemaal zo'n vaart niet loopt.

De toenemende anarchie in Karachi staat niet op zichzelf. De stad met haar ruim tien miljoen inwoners, die de afgelopen decennia uit alle hoeken van het land op de zuidelijke metropool zijn afgekomen, is een barometer voor de rest van Pakistan. De wijzer staat thans onmiskenbaar op zwaar weer.

Ook buiten Karachi blijkt steeds duidelijker dat de regering van premier Benazir Bhutto in Islamabad nauwelijks meer greep heeft op de gebeurtenissen in het land. In november moesten er 10.000 militairen aan te pas komen om een opstand van militante moslims in het district Malakand in het uiterste noorden van het land de kop in te drukken. De zware strijd eiste tientallen levens.

Nadat twee christenen, onder wie een 14-jarige jongen, eind februari van godslastering waren vrijgesproken door een rechtbank in Lahore, dreigden woedende fundamentalisten het tweetal alsnog te doden. Als dieven in de nacht moesten de twee christenen naar het buitenland worden gesmokkeld. Bhutto's regering liet de dreigende fundamentalisten ongemoeid en nam het geen moment op voor de twee onschuldig bevonden christenen. Het imago van Pakistan in het buitenland als een gematigd islamitisch land liep er een forse deuk door op.

De straffeloze manier waarop de fundamentalisten hun gang kunnen gaan, past in een patroon van steeds verdergaande normvervaging. De autoriteiten zelf dragen daarvoor een niet geringe verantwoordelijkheid. Ook zij treden de mensenrechten voortdurend met voeten. Mishandeling van verdachten door de politie komt elke dag voor, terwijl veel rechters er een gewoonte van maken de partij die hen het meest wil betalen in het gelijk te stellen. Ook op het hoogste niveau deinst de regering er niet voor terug onder allerlei voorwendsels de politie in te zetten tegen haar politieke tegenstanders, zoals de vader van oppositieleider Nawaz Sharif vorig jaar moest ondervinden.

“Wanneer er geen consensus bestaat over de manier waarop dit land moet worden bestuurd en welke waarden dienen te worden gerespecteerd, zullen de mensenrechten daar onherroepelijk onder lijden”, zegt Asma Jahangir, een tengere advocate van 43 in Lahore die zich al 25 jaar inzet voor de rechten van de mens. “Wat we nodig hebben, is een versterking van de democratie. Dat is de beste garantie voor respect voor de mensenrechten.”

Maar ze geeft toe dat de centrifugale krachten in Pakistan op het ogenblik daarvoor veel te sterk zijn. Allerlei belangengroepen trekken in verschillende richtingen: de grote politieke partijen, de islamitische fundamentalisten, de strijdkrachten en de machtige geheime diensten, de bureaucratie, de zakenwereld en een kleine groep liberaal gezinden.

Een groep die zich de laatste tijd nadrukkelijker manifesteert dan ooit is die van de religieuze fundamentalisten. Weliswaar vormen die allerminst een gesloten front en zijn ze electoraal nooit een factor van betekenis geweest, maar ze maken handig gebruik van de ambivalente verhouding die de Pakistaanse staat al jaren heeft met de islam. Vooral sinds de revolutie in het buurland Iran vragen veel moslims in Pakistan zich bezorgd af of hun land, dat in 1947 uitdrukkelijk in het leven werd geroepen als een toevluchtsoord voor moslims van het subcontinent, wel islamitisch genoeg is. Moet de shari'a, het islamitisch recht, niet letterlijker worden gevolgd?

Geen regering durft het aan de fundamentalisten hard aan te pakken, want de leiders zijn als de dood voor slechte moslims te worden uitgekreten. Dat is zo ongeveer het ergste dat een politicus kan overkomen in Pakistan. Dat geldt in het bijzonder voor premier Benazir Bhutto, die in verschillende opzichten kwetsbaar is. Ten eerste is ze vrouw en ten tweede onderhoudt ze goede contacten met het Westen, dat in de ogen van veel fundamentalisten niet bepaald deugt. In de praktijk hebben de fundamentalisten sinds Bhutto's hernieuwde aantreden in de herfst van 1993 niets van haar te duchten gehad.

“De religieuze extremisten houden iedereen in gijzeling”, stelt Jahangir. “Dat kunnen ze doen doordat ze sinds de tijd van generaal Zia ul-Haq in de jaren tachtig veel macht genieten. Ze lobbyen voortreffelijk en kunnen elke regering op haar grondvesten doen schudden. Geen enkele regering vindt het makkelijk met terroristen om te gaan en dit zijn terroristen uit naam van hun godsdienst.”

De geest werd indertijd uit de fles gelaten door president Zia Ul-Haq. Deze had, afgezien van het leger, geen eigen machtsbasis en zag in de kleine islamitische partijen een welkom instrument om zich legitimiteit te verschaffen. Zo kregen de fundamentalisten handenvol geld om nieuwe madrasa's (religieuze scholen) op te richten en zich op andere manieren te ontplooien. Generaal Zia bevorderde echter alleen de sunnitische partijtjes, Jamaat-i-Islami, Jamaat-i-Ulema Islami en de Jamaat-i-Ulema Pakistan. De sunnieten vormen 85 procent van de moslims in Pakistan, de shi'ieten 15 procent.

Intussen zijn er allerlei nieuwe uiterst militante splintergroepjes opgedoken. De prominentste daarvan is de sunnitische Sipah-i-Saheba Pakistan (SSP), die alle niet-sunnitische groepen, inclusief de shi'ieten, tot niet-moslims wil laten verklaren. In de praktijk zien de SSP-strijders liever een dode shi'iet dan een levende. De shi'ieten kennen op hun beurt onverzoenlijke groepen, voorop de Tehriq-i-Nifaz-i-Fiqh-Jafaria en een splinter daarvan, Sipah-i-Mohammed. Deze organisaties kunnen rekenen op de ruimhartige steun van Iran.

Waar ze maar kunnen, wakkeren al deze groepjes de religieuze verdeeldheid in het land aan. Dat is een levensgevaarlijke ontwikkeling voor Pakistan. De gemeenschappelijke godsdienst, de islam, vormde immers het voornaamste cement voor de Pakistanen, die verder nooit bijster veel met elkaar gemeen hebben gehad. Ironisch genoeg zijn het nu juist de fundamentalisten van diverse pluimage die in naam van de islam dat cement in hoog tempo wegbikken.

Terwijl het gezag van de regering in Islamabad steeds verder afbrokkelt, besluiten de burgers in toenemende mate het heft in eigen handen te nemen. Steeds meer inwoners in Karachi schaffen zelf wapens aan om zich te verdedigen tegen eventuele indringers. Maar ook in kleinere steden begint de bevolking zich op eigen houtje te organiseren.

“Er ontstaat hier en daar al een soort parallel-samenleving”, constateert Jahangir. “De mensen nemen op lokaal niveau maatregelen om zichzelf te beschermen. Maar daarbij blijft het niet. Steeds meer zetten ze ook, geheel onafhankelijk van de autoriteiten, scholen en ziekenhuizen op. En met zijn allen durven ze nu de politie ter verantwoording te roepen, wanneer die zich weer eens met grote willekeur heeft gedragen. We hopen dat deze parallel-samenleving uiteindelijk tot een ommekeer in het land zal leiden.”