Asociale familie in kartonnen dozen

Voorstelling: Everyman door Les Ballets C. de la B.. Regie, choreografie: Hans Van den Broeck; muziek: Craig Weston; decor: William Phlips, Ilse Joliet; licht: Mark Vandermeulen. Gezien: 31/3 Felix Meritis Amsterdam. Aldaar: 4 t/m 9/4.

Les Ballets C. de la B. heeft hier een zekere faam opgebouwd door de non-conformistische voorstellingen van de (dans)theatermaker Alain Platel. Het Belgische kunstenaarscollectief brengt deze keer een nieuwe produktie gemaakt door Hans Van den Broeck, een van de vier artistiek leiders. Everyman is pas zijn tweede bewegingsstuk.

Everyman is een tragi-komische momentopname uit het leven van een groep mensen aan de onderkant van de maatschappij. Het is een gezin met afwijkende normen en waarden, dat een onderkomen heeft in kartonnen dozen met het opschrift 'thé, vert de chine' afkomstig uit Antwerpen en Rotterdam, twee rijke havensteden. Het krot heeft als raam een monitor, die als doorgeefluik fungeert naar de buitenwereld. De camera betrapt de familie bij een intieme bezigheid: men eet. Ouders, dochter en drie zonen schrokken hompen brood naar binnen en schrapen met kletterende lepels de borden leeg.

Een normale communicatie is tussen hen niet mogelijk. Zij weten met hun gevoelens geen raad, al raken ze elkaar dikwijls aan. Hun botheid vloeit voort uit onmacht. Het zijn stotteraars die sympathie oproepen, dichters van de onbeholpenheid die zowel amuseren als ontroeren.

De moeder is niet lijfelijk aanwezig. Haar vertrek heeft de uitwerking van een aardbeving. In huis leeft slechts haar herinnering, een gestalte in bloemetjesjurk op de videoband (gespeeld door Jet Vergaert) en haar regenjas op een hanger. De dochter (Lilia Mestre) draagt ergens in de voorstelling eenzelfde jas, als teken dat zij de moederrol heeft overgenomen.

Het meisje heeft de illusie dat zij het huis en het gezin in stand kan houden. Zij repareert de kapotte muren en voorziet in de behoeften van vader en broers, ook in de seksuele. De incest wordt eerst aangegeven met kleding van de vader en daarna weer gerelativeerd in een liedje. Ook danst zij frenetiek met haar broers, waarbij elk paar met een sjaal aan elkaar is gebonden. De aanstaande moeder heeft daarvoor al een reeks jongensnamen opgesomd, want: 'Un garçon c'est bon!'

De vader (Paul Schillings) wordt hangend aan de waslijn door zijn kinderen kaal geplukt. Thuis is voor hem een gevangenis. Op zijn brits telt hij de dagen met het tikken van zijn hand. De zoons (Paul Gazzola, Hans Van den Broeck en Noël Van Kelst) vechten onderling om de beste plek binnen de pikorde. De oudste heeft de natuurlijke overmacht. De intelligentste manipuleert de anderen. De gevoeligste ziet zijn terrein inkrimpen tot bijna postzegelformaat. Uiteindelijk is het toch de moeder die als een deus ex machina aan de voorstelling een einde maakt.

Van den Broeck vertelt geen afgerond verhaal. Hij biedt slechts stukjes aan, waarbij toekomst en verleden door elkaar lopen. Soms vervalt hij daarbij in herhaling en treedt er het déjà-vue effekt op. De voorstelling, die muzikaal adequaat wordt ondersteund door een compositie van Craig Weston, verloopt daarmee trager dan nodig is. In zijn beste momenten is Everyman echter ontwapenend.