Zouden ze echt verliefd zijn, zonder het te durven weten?

Een gebergte in de Nederlandse literatuur is het oeuvre van S. Vestdijk wel genoemd. Van zijn tweeënvijftig romans horen er heel wat tot de pieken in dat gebergte. H.Br. Corstius en Maarten 't Hart herlezen er ieder zesentwintig en doen om beurten verslag van hun ervaring. Vandaag: De ziener (1959)

Een romanschrijver is een kijker, een voyeur, en een ziener.

Een kijker kijkt naar wat iedereen kan zien; de schrijver-kijker doet dat extra goed. Een voyeur kijkt naar wat niemand mag zien; de schrijver-voyeur doet dat ook. Een ziener kijkt naar wat niemand kan zien - hij schept visioenen; de schrijver-ziener schept een roman.

Pieter Le Roy is een voyeur. Hij gaat 's avonds in het provinciestadje achter minnende paartjes aan en begluurt ze zo dat ze hem opmerken. Het ogenblik dat de bespiede man woedend op hem af komt is het mooiste wat hij kent. Daar heeft hij een aframmeling voor over.

Toos Rappange is een lerares Frans die een kamer huurt bij de moeder van Le Roy. Als ze een paar keer - totaal onschuldig - de leerling Rick Thieme Backer op bezoek heeft gehad, schrijft Le Roy anonieme brieven naar de rector van de school en naar Ricks vader, waarin hij beweert dat ze een verhouding hebben. De reactie van lerares en leerling op deze roddel is moedig: ze besluiten nu juist elkaar, een keer per week, te blijven zien, dan moeten die domme kletsers maar inzien dat ze ongelijk hadden.

Hun strijd tegen de achterklap drijven ze zelfs zo ver dat ze een keer in de schoolpauze samen over het schoolplein wandelen. De rector overleeft dit niet. De nieuwe rector wordt bij de wethouder geroepen. De vader - die beloofd had te zeggen dat hij de privélessen betaalde - schrijft aan de lerares dat het uit moet zijn, met de leugen dat Ricks moeder het zo erg vindt.

De lerares zegt haar wekelijkse afspraak af. Rick is onthutst: “Dat hij niets aan haar gemerkt had, was misschien juist een bewijs dat er wel degelijk iets aan haar te merken was geweest, al was het maar het verlangen om niets te laten merken.”

Rick zegt tegen zijn moeder - om ervan af te zijn? - uit bravoure? - om haar echt te laten schrikken? - omdat het de waarheid is? - dat hij van zijn Franse lerares houdt.

Als hij dit aan Toos Rappange vertelt, blijven zij er als een hypothetisch geval over praten, elkaar met de derde persoon aanduidend. De lezer begint zich af te vragen of ze niet, zonder het te durven weten, echt verliefd zijn. Le Roy weet het wel zeker. Hij heeft het zelf met zijn anonieme brieven georganiseerd. Hij klimt in een boom die hem bij de lerares naar binnen laat kijken en ziet waarachtig net hoe de twee elkaar min of meer in de armen vallen, als zij op hun beurt zijn gezicht vlak voor het raam zien.

De lerares verlaat het stadje, maar op het station spreekt ze met de door Le Roy, die alles bekend heeft, gewaarschuwde Rick. Ze spreken af elkaar later weer te ontmoeten. Le Roy heeft zijn zin, niet als voyeur, want Rick heeft hem niet uit de boom geslagen, maar als ziener. Hij had, vóór ieder ander, het visioen van een fatale verliefdheid. Hij heeft de scène voor de voyeur in elkaar gezet. De lezer kijkt toe.

De ziener is uniek in de wereldliteratuur. We lezen vaker over roddelstadjes. Maar Gogol of Lahringen worden overwonnen door De ziener. We lezen vaak over de macht van de bedisselende schrijver, maar Auster en Slingeland doen onder voor De ziener. We lezen vaker over de liefde tussen lerares en leerlingen, maar Colette en Rookoffer halen het niet bij De ziener.

Toen Tessa de Loo in 1987 Rookoffer publiceerde werd direct op kwaaie toon een verband met Vestdijks roman uit 1959 gelegd. Er zijn inderdaad frappante overeenstemmingen tussen de twee boeken, maar de verschillen zijn groter. De Loo maakt de leerling beeldschoon, stoomt de liefdesdaden flink op, en slaat het verhaal plat, omdat zij als schrijfster ons laat voyeren. Bij Vestdijk is de lerares lelijk, de jongen heel gewoon, wordt de liefde niet geconsumeerd, maar gaat het verhaal eigenlijk over de voyeur die aanvankelijk - ook in eigen ogen - onsympathiek is, maar die tot held van de historie promoveert. Natuurlijk geeft Vestdijk in de intrigerende, in het zwart geklede Pieter Le Roy ook een ironisch zelfportret.

Opmerkelijk in beide boeken is de rol van de sigaret.

In De ziener rookt alleen de leerling - de lerares koopt de sigaretten. In Rookoffer wordt de leerling wegens roken van school gestuurd. Als in het jaar 2015 het volgende lerares-leerling-verhaal verschijnt zal alleen de lerares nog roken.

Maarten 't Hart heeft zijn afschuw uitgesproken over het vele roken bij Vestdijk. Zijn romans spelen in tijden dat roken normaal was. Dat is toch geen reden om die romans af te keuren? Over twee eeuwen zal niemand meer vlees eten. Zal men dan alle literatuur uit vroeger eeuwen weggooien omdat daarin onbekommerd koe en haring gegeten wordt?