Wie erbij wil horen zit bij Bayern op de eretribune; Instituut als een symbool van München en Beieren

BONN, 1 APRIL. “Op welke plaats staan jullie eigenlijk?”, vroeg de 22-jarige linksbenige Bayern-middenvelder Christian Nerlinger eind vorige week losjes. Hij stelde die vraag in een zaterdagmorgen gepubliceerd tweegesprek in de Süddeutsche Zeitung aan Manfred Manni Schwabl, een 28-jarige back van München 1860, die andere, meer 'volkse' Bundesligaclub uit de Beierse hoofdstad. “Zestiende”, antwoordde de arme Schwabl, die vroeger ook voor Bayern speelde maar daar te licht bevonden werd. Bayern, vorig jaar kampioen, stond die dag op plaats zes en moet nota bene vechten voor een plaats in het UEFA-Cuptoernooi, maar Schwabl kwam niet op het idee om daarover iets te vragen.

Een paar uur later had een in alle linies rammelend Bayern de plaatselijke derby tegen München 1860 in een uitverkocht Olympia-Stadion totaal onverdiend met 1-0 gewonnen. Het driftig dravende Bayern had één kans gekregen, in de elfde minuut, en die was benut door Mehmet Scholl, de man die drie jaar geleden als grote belofte van Karlsruhe overkwam en tot nu toe eigenlijk nog slechts belofte is gebleven. De arme degradatiekandidaat maakte het spel, kreeg heel veel kansen maar verliet het stadion met de spreekwoordelijke lege handen.

Lucky Bayern is méér dan een voetbalclub met 40.000 leden, een omzet van ongeveer 75 miljoen mark (1994) en een in razend tempo opgebouwde erelijst van dertien landstitels, acht gewonnen Duitse bekers, vier Europese bekers (3 keer de Europa Cup I) en een wereldbeker (1976). Sportief gesproken is Bayern vooral de club van Franz Kaiser Beckenbauer. De man dus die 35 jaar geleden als talentvolle jongeling na een vechtpartijtje in een trainingswedstrijd besloot niet bij 1860 maar bij het toen in de regionale klasse spelende Bayern te tekenen. En die vervolgens als 's werelds beste libero in de jaren zestig en zeventig met spelers als Gerd Bomber Müller, keeper Sepp Maier en middenvelder Uli Hoeness, de huidige clubmanager, een speltype initieerde dat Bayern beroemd zou maken. Namelijk: voetbal langs de kortste lijn, langs de lengte-as dus, met de één-twee tussen Beckenbauer en Müller lange tijd als fameus verenigingspatent. Vele, vele vleugelverdedigers en buitenspelers die elders succes hadden (Kalle Delhaye, Gustl Jung, Klaus Wunder, Branko Oblak, het is een greep uit een lange lijst) slaagden bij Beckenbauers Bayern dus niet. Een staande grap in München is dat Beckenbauer in feite nog steeds - naast het voorzitterschap - het trainerschap én de liberopositie zou moeten hebben. Bayerns probleem is wellicht dat het ook vandaag nog graag door het midden countert maar daarvoor niet meer de juiste spelers heeft. Maar daarover zo.

Bayern is een instituut dat in zijn gespletenheid min of meer symbolisch is voor München en Beieren zelf. Modern in zijn bedrijfsvoering, koel berekenend in zijn spel, argwanend en lichtgeraakt in de omgang met het niet-Beierse deel van Duitsland, verknocht aan Bavaria en toch steeds spelend met een her en der aangekocht legioen van vreemdelingen. Bemind in de Münchense Chikaria van snel rijk geraakte mensen, de regerende CSU en de wonderbaarlijke halfwereld van lokale beroemdheden uit kunst, sport en geld. Van de kardinaal van München tot Boris Becker, van premier Edmund Stoiber tot filmster Uschi Glas (Winnetou's veelbelaagde, inmiddels wat oudere zus in een eindeloze reeks Karl-Mayfilms) als het ware. Het middenstuk van de eretribunes van Bayern en Ajax hebben in dat opzicht iets gemeen. Namelijk het sociale imperatief: tel mee, zorg dat je erbij hoort of bent. Zij het dat de rooms-katholieke metropool München en het links-republikeinse Amsterdam zó anders zijn dat de lokale consequenties van dat imperatief er verschillend uitzien. Zeg maar het verschil tussen de VPRO en radio-Bayern, maar met We are the champions alletwee in de geluidscabine. En zo hoort het ook, want die twee wedstrijden worden straks niet in de Witte Sociëteit in Den Haag maar in de olympische stadions van München en Amsterdam gespeeld.

Bayern-Ajax, Holland-Duitsland, vijftig jaar later, er komt als het mee zit iets heel moois aan. “Wij zijn woedend” misschien, maar dan sportief. Staat de club Bayern model voor het Duitsland dat nogal wat Nederlanders kennen als “pedant, protserig, hautain, chauvinistisch, klef”, zoals een gezaghebbend Nederlands voetbalblad onlangs analyseerde? Is Bayern pas na de oorlog, en dan nog slechts dankzij het 'toeval-Beckenbauer', echt succesvol geworden omdat München “als stad van anti-Pruisische dissidentie (...) met een traditie van verdraagzaamheid”, net als Bayern in de nazi-tijd “uit de top was weggemanipuleerd”, zoals die analyse ook wil?

Wie de voetbalwereld wil verdelen in (Hollandse) etalages van verlichting en elegantie en (Duitse of Beierse) etalages van onverlichte plompigheid zal aan zulke eigenlijk vrij pijnlijke analyses plezier beleven. Maar onzinnig zijn ze wel, zulke analyses. Ze klinken als de redevoering van een slager die per abuis beland is op een congres van vegetariërs. Hitler zag München met recht als Hauptstadt der Bewegung. De voetbalwereld is bovendien niet zo erg geschikt als plaats voor maatschappelijke 'verlichtingsexempelen'. En zeker, Bayern München is wel vettig maar niet zo veel vettiger dan andere Europese topclubs als Ajax, AC Milan, Barcelona of Paris Saint Germain. Poen, poen, poen, poen, het zal je gezegd zijn wat je allemaal met poen ken doen, zong Wim Sonneveld al.

Wat niet wegneemt dat Bayern, zoals Beckenbauer onlangs zei als commentator van het commerciële TV-station RTL Plus, nogal jaloers is op de manier waarop Ajax almaar weer verbaast met het succes van zijn jeugdopleiding en zijn scoutingssysteem. En dat manager Hoeness onlangs lelijk reageerde op vragen over de successen van 'Ajax-Amsterdam' door te zeggen: “Wat, Ajax-Surinam, bedoelt u zeker”, doet daaraan niet af.

Het transferbeleid van Bayern steekt de afgelopen jaren inderdaad schril af bij wat Ajax heeft laten zien langs de goedkope omweg van zijn scoutingssysteem. Sinds Beckenbauer in oktober 1991 vice-voorzitter van Bayern werd (en over de transferpolitiek zei: “zij hebben allemaal fouten gemaakt, het presidium, de manager, de trainer”) zijn er voor buitengewoon veel geld buitengewoon veel spelers aangekocht die het maar in een zeer klein aantal gevallen in München 'gemaakt' hebben. Meer nog, sinds Beckenbauer in het Bayern-bestuur zit, heeft de club ook al vijf trainers versleten. Namelijk: Jupp Heynckes, S⊘ren Lerby, Erich Ribbeck en - als interimoplossing - Beckenbauer zelf. Bovendien, voor het seizoen '94-'95, de Italiaan Giovanni Trapattoni.

Het grote aantal spelers dat de afgelopen vier à vijf jaar, grotendeels onder (mede-) verantwoordelijkheid van Beckenbauer, naar München is gehaald en daar is mislukt laat zien dat er tientallen miljoenen min of meer uit het raam gegooid zijn. Voor het komende seizoen is de lijst van opzienbarende transfers alvast verlengd met buitenlanders Strunz (van VFB Stuttgart), Herzog (Werder Bremen) en Sforza (Kaiserslautern), die samen goed zijn voor een aankoopbedrag van 20 miljoen mark.

Bayerns rijke spelersboedel kent al buitenlandse spelers als de Franse spits Jean Pierre Papin, die voor negen miljoen met slechte knieën werd overgenomen van AC Milan, de Zwitserse middenvelder Alain Sutter (6 miljoen) en de van Deportivo la Coruna geleende Bulgaar Emile Kostadinov. Welke buitenlanders (maximum per wedstrjd: drie) mogen spelen, dreigt dus volgend seizoen een vrijwel wekelijks terugkerend probleem te worden.

Daarbij komt dat Bayern met Strunz, Sforza, Herzog, Witiczek, Scholl (die net voor twee jaar heeft bijgetekend), Nerlinger, de jonge Michael Sternkopf en Markus Schupp acht meer of minder spelbepalende spelers voor het middenveld heeft. Dadelijk, als aanvoerder en libero Lothar Matthäus (33) van een zware blessure hersteld is, komt er nog een probleem bij. Namelijk of Bayern met Matthäus vooral via de lengte-as moet opereren of de tactiek via zijn vele spelmakende middelvelders moet opzetten. Om zulke gordiaanse knopen door te hakken heeft Beckenbauer alvast, voor 1,5 miljoen per jaars (zonder premies), Werder Bremens trainer Otto Rehhagel voor de komende jaren aangetrokken.

Zo gezien moet Ajax, al dan niet per saldo, op kracht van talent en spelopvatting, van Bayern kunnen winnen en de finale van de Champions League halen. Dat zou best mooi zijn, niet omdat de Tweede Wereldoorlog dringend moet worden overgedaan, maar omdat het betere voetbal, gebaseerd op aanval, techniek en avontuur, dan met recht wint. Wie weet. Of, zoals de miljonair geworden vroegere magazijnbediende Beckenbauer het op zijn Beiers zou zeggen: Schau'n mer mal.