Wetenschap op recept

WILLIAM EAMON: Science and the secrets of nature. Books of secrets in medieval and early modern culture

490 blz., Princeton University Press 1994, ƒ 96,05

De moderne natuurwetenschap is een kind van vele vaders. Niet alleen Archimedes en Copernicus stonden aan de wieg van de wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw; we hebben in deze eeuw ook geleerd de bronnen van de nieuwe wetenschap te zoeken in de abstracte bespiegelingen van middeleeuwse theologen, in het ambachtelijk werk van ingenieurs en molenmakers, in de bezweringen van magisch-occulte filosofen en in de polemieken van puriteinse scherpslijpers. En nu komt William Eamon, een wetenschapshistoricus uit New Mexico, ons vertellen dat een goed begrip van de wetenschappelijke revolutie eigenlijk niet mogelijk is zonder te letten op een tot nu toe amper bestudeerd genre, de boeken over de wonderbaarlijke 'geheimen van de natuur'. Wonderbaarlijk waren die geheimen zeker. Een zeer populair middeleeuws wonderboek, de Secreti Alberti uit de dertiende eeuw, had in de rubriek heilzame planten het volgende recept voor mensen die niet van ruzie houden: wie de bladeren van een heliotroop, geplukt als de zon in het teken van de Leeuw staat, samen met een hondetand in een laurierblad wikkelt, zal alleen maar vriendelijke mensen ontmoeten. En wie het hart van een wezel opeet, zal de toekomst kunnen voorspellen.

Vleermuizen

Maar in de late zestiende eeuw wist de Engelsman Thomas Johnson er ook wel wat van. In zijn Cornucopiae uit 1595 geeft hij goede raad aan zwangere vrouwen: als je een steen uit het nest van een adelaar aan de linkerarm van een zwangere vrouw bindt, zal ze geen abortus krijgen, maar als je de steen tijdens de weeën aan haar dij bindt, zal zij een spoedige en gemakkelijke bevalling hebben. Wie de tong van een hond in zijn schoen stopt, hoeft niet bang te zijn door honden te worden aangeblaft, en wie zijn ogen opmaakt met bloed van vleermuizen, kan in het donker zien. Maar hij had ook nog een huismiddeltje om te bepalen of een vrouw maagd was: laat de vrouw de rook van brandend moederkruid (een soort chrysant) opsnuiven; als ze dan moet urineren, is ze zeker geen maagd meer.

Dergelijke wonderboeken waren in de zestiende eeuw uitermate populair en stonden in een eeuwenoude traditie, die op zijn minst teruggaat tot de late oudheid. De Historia naturalis van Plinius is één van de eerste voorbeelden, maar de grote opgang begon toch pas in de nadagen van het Romeinse Rijk, toen het hermetisme en andere vormen van magie opgang maakten. In verschillende versies werden de geheime recepten in middeleeuwse manuscripten doorgegeven, totdat ze in de vijftiende eeuw uit Italië een geweldige verspreiding door heel Europa kregen. Ze waren er in alle soorten en maten: heel goedkope genees-jezelf-boekjes die standwerkers (ciarlatani) op markten en pleinen aan de man brachten, populair-wetenschappelijke compilaties voor de gegoede burgerij van veelschrijvers als Fioravanti en Alessio Piemontese, en een in het Latijn geschreven geleerd werk als de Magia naturalis van Della Porta.

Ondanks de grote verspreiding van al die recepten en wondermiddelen bleef men wel over 'geheimen van de natuur' spreken. Niet omdat het werkelijk geheimen waren waar men alleen door goddelijke openbaring achter kon komen - zo dacht men er in de late oudheid over -, maar omdat het de niet direct zichtbare 'binnenkant' van de natuur was die men in de recepten op het spoor kwam.

Grillig

Maar wat hebben die wonderboeken nu met de wetenschappelijke revolutie te maken? De moderne wetenschap is mogelijk gemaakt door zoiets als de 'onttovering van de wereld'; 'Wonder en is gheen wonder' luidde het devies van Simon Stevin. Maar boeken die vol staan met de geheimenissen der natuur maken de wereld juist geheimzinnig en betoverd. Fioravanti, Alessio, Della Porta en Johnson zagen de wereld niet als een ordelijk, volgens vaste wetten verlopend en in algemene theorieën verklaarbaar geheel; voor hen was de wereld grillig, een en al verscheidenheid en vol met verborgen hoekjes en gaatjes. Hun wereld was speels en onvoorspelbaar, hield van illusies en trucs die de argeloze onderzoeker op het verkeerde been zetten. De magie is er - bij Della Porta, maar ook bij anderen - dan ook niet op uit die verscheidenheid terug te brengen tot uniforme regels, maar in al haar diversiteit weer te geven en bruikbaar te maken. De studie van de natuur is zoiets als het lezen van een roman, waarin elk detail betekenis heeft en onmisbaar is voor het begrijpen van het geheel. De moderne natuurwetenschap daarentegen streeft naar een samenvatting van het boek der natuur in enkele wiskundige formules en dat kan alleen bij een uitermate saai boek.

Toch houdt Eamon vol dat er lijnen lopen van de traditie van de 'geheimen der natuur' naar de moderne natuurwetenschap die in de zeventiende eeuw tot ontwikkeling kwam. Schrijvers van wonderboeken hebben volgens hem een onderzoeksstrategie gepopulariseerd, die ook de nieuwe natuurwetenschap toepaste. Als de natuur niet een ordelijk en strak geheel is, maar een ontoegankelijk en donker bos, waarin grillig vertakte bomen en ondoordringbaar struikgewas bescherming bieden aan vogels en wilde dieren, heeft de onderzoeker niet zoveel aan algemene theorieën en abstracte ideeën. Wie in zo'n bos wil doordringen en een vogel of een everzwijn wil verschalken, moet de sporen kunnen lezen die die dieren achterlaten of de geluiden kunnen herkennen die in een bos weerklinken. Kennis van zulke bijzonderheden komt de jager meer te stade dan boekengeleerdheid. Wetenschap die zo te werk gaat is zoiets als de jacht (venatio) en dat is volgens Eamon precies de methode die de moderne wetenschap onderscheidt van de wetenschap uit middeleeuwen en oudheid. De moderne natuurfilosofen stelden zich niet tevreden met enkele algemene observaties om vervolgens achterover te leunen en de rede het werk te laten doen, maar ze roken en snoven aan de natuur, legden haar onder kolven en experimenteerden naar hartelust in de hoop door te kunnen dringen in de diepere verborgenheden van de natuur.

De gedachte dat wetenschap een jacht is, komt bij meer dan één schrijver uit de zestiende en zeventiende eeuw voor. De Italiaan Cardano legde de nadruk op de kleine en schijnbaar onbelangrijke details die de onderzoeker naar de geheimen van de natuur konden leiden. En de zeventiende-eeuwse Franse filosoof Gassendi beschouwde de wetenschap vooral als de kennis van tekens (signa) en sporen (indicia) die de onderzoeker verder moesten helpen. Hij vergeleek zijn methode met de manier waarop een jachthond zich bij het opsporen van het wild laat leiden door pootafdrukken of geuren en de natuuronderzoeker was voor hem werkelijk een 'venator naturae'.

De duidelijkste uitwerking van de jachtmetafoor gaf Francis Bacon. Hij vergeleek het doen van onderzoek met de jacht van Pan, de jagersgod die volgens de klassieke mythologie tijdens de jacht bij toeval de prooi ontdekte die de andere goden niet te pakken hadden kunnen krijgen. “De verwerving van nuttige kennis moet men niet verwachten van abstracte filosofieën, de grotere goden als het ware, die niet slagen ook al wenden ze al hun krachten aan, maar alleen van Pan, dat wil zeggen van bezonken ervaring en universele natuurkennis, waarmee men vaak als bij toeval, zoals bij het jagen wel gebeurt, op ontdekkingen stuit.”

Gods toorn

Ook het natuurbeeld van de moderne natuurwetenschap is meer be-invloed door het natuurbeeld van de boeken over de geheimen van de natuur dan men op het eerste gezicht zou denken. De schrijvers van die boeken accepteerden wel dat er in de wereld wonderen gebeurden, maar deze waren niet minder 'natuurlijk' dan de alledaagse loop van de natuur. Zelfs als een wonderlijk natuurverschijnsel (een komeet, een monsterlijke geboorte, bloedregens etc.) een teken was van Gods toorn over het goddeloze gedrag van de mensen, dan nog gebruikte God daarbij natuurlijke middelen. Maar belangrijker was dat de schrijvers van wonderboeken geen genoegen namen met de uiterlijke verschijningsvorm van de natuur, maar door probeerden te dringen in het binnenste ervan, de verborgen mechanismen probeerden te achterhalen die de verschijnselen produceerden. In dat opzicht stonden ze veel dichter bij de experimentele natuurwetenschap die in de zeventiende eeuw zo'n opgang maakte dan men zou denken.

Tussen een experimenteel natuurwetenschappelijk onderzoek naar het magnetisme of het gedrag van een muis in een leeggezogen stolp en de recepten waar de boeken over de geheimen van de natuur vol van stonden, bestaat wel degelijk enige overeenkomst. Een recept heeft namelijk dezelfde 'als-dan'-structuur als een experimenteel onderzoek; het zegt: als je dit doet, dan zal dat gebeuren. Recepten zijn eigenlijk primitieve vormen van wetenschap.

Is daarmee de kwadratuur van de cirkel gelukt? Het staat nog te bezien. Bacon is niet de wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw en de Royal Society die zich door hem liet inspireren is niet in al haar werkzaamheden modern geweest.

Tussen de kookboekwetenschap van Della Porta en Bacon en de 'echte' wetenschappelijke revolutie van Galilei, Huygens en Newton gaapt nog altijd een kloof. Maar wat je uit het boek van Eamon leert over de wisselingen in het natuurbeeld in middeleeuwen en vroeg-moderne tijd is er niet minder fascinerend om.