'Waarom zijn het altijd toch weer de Hutu's die sterven?'

BUJUMBURA, 1 APRIL. De pessimist, de extremist en de idealist zijn het over één ding eens: de burgeroorlog in Burundi is nabij. Verder verschillen ze over alles van mening.

Jean-Baptiste Bagaza, een Tutsi, was van 1976 tot 1987 president van Burundi. Zijn regering was de laatste in het land die uitsluitend uit Tutsi's bestond. Hij wordt nu in Burundi beschouwd als één van de breinen achter de extremistische Tutsi-milities.

Zijn regime werd omvergeworpen door president Pierre Buyoya, eveneens een Tutsi maar van een geheel ander politieke overtuiging. Hij gaf voor het eerst zetels in zijn regering aan politici van de Hutu-meerderheid. Zijn ideaal was om op vreedzame wijze een einde te maken aan de exclusieve Tutsi-heerschappij, een zwart-Afrikaanse versie van de apartheid.

Vénérand Bakevyumusaya, een Hutu, is minister van arbeid in de huidige regering. Hij heeft de hoop verloren dat het uit Tutsi's bestaande leger ooit een machtsdeling met de Hutu's zal aanvaarden.

“Wie controleert nou dit land?”, vraagt minister Bakevyumusaya op retorische wijze nadat hij heeft uitgelegd hoe leger en politie straffeloos hun gang kunnen gaan tegen Hutu's. “Wij in de regering maken plannen maar we kunnen ze niet uitvoeren. De premier, een Tutsi, zegt dat kogels geen onderscheid maken. Maar waarom zijn het dan altijd de Hutu's die sterven?”

Bakevyumusaya ziet de oplossing in een zuivering van het leger en het rechtsapparaat, dat evenals de strijdkrachten bemand wordt door vrijwel uitsluitend Tutsi's. Hij besluit zijn analyse met een pessimistische conclusie: De machtigste man in dit land is tegenwoordig Jean-Baptiste Bagaza.

Bagaza zelf ontkent in alle toonaarden de man achter het extremistische Tutsi-geweld te zijn: “Ik houd er geen milities op na.” Hij speelt de bal terug en beschuldigt de grootste Hutu-partij, FRODEBU, ervan een gewapende confrontatie met het leger te zoeken. Bagaza stelt een scheiding tussen Hutu's en Tutsi's voor. “In gebieden waar veel spanning heerst, is het beter de beide groepen van elkaar te scheiden door etnische enclaves te creëren.” PARENA, de partij van Bagaza, neemt als enige van álle partijen in Burundi niet deel aan de huidige coalitieregering. “Je ziet nu dat de coalitie niet werkt,” zegt hij. “We wensen een nationale conferentie om uit de crisis te komen. Eerst moet je het etnische probleem oplossen, dan het politieke.”

De voormalige president Pierre Buyoya is het daar volledig mee oneens. “Het is een politiek probleem. Als de politieke wil er niet is, komt er een burgeroorlog”, zo meent hij. “De extremisten dreigen de overhand te krijgen. Bagaza en de Hutu-guerrillastrijder Nyangoma worden volkshelden als de ontwikkelingen zo doorgaan. De sterke posities van Bagaza en Nyangoma zijn het gevolg van de zwakte van de andere politici.”

Buyoya wordt wel de Gorbatsjov van Burundi genoemd. Zelf vergelijkt hij de situatie in Burundi liever met die in Zuid-Afrika. Daar droegen de blanken uiteindelijk vrijwillig de macht over. Na zijn militaire staatsgreep in 1987 opende Buyoya de machtsstructuren voor Hutu's en in 1993 organiseerde hij meer-partijenverkiezingen. De overtuigende electorale zege van de Hutu-partij FRODEBU en de daarop volgende mislukte staatsgreep van het Tutsi-leger luidden de huidige crisis in. “In Zuid-Afrika bestaat de bereidheid de macht te delen, hier niet,” stelt Buyoya. “Het idee van een machtsdeling tussen Hutu's en Tutsi's moet worden geïnstitutionaliseerd, dat is de enige oplossing.”

Bij de mislukte staatsgreep in oktober 1993 werd de eerste Hutu-president van Burundi, Melchior Ndadaye, gemarteld en daarna vermoord. Vele andere goed opgeleide politici van zijn FRODEBU-partij verloren eveneens het leven en de partijstructuren op plaatselijk niveau raakten ontmanteld. Dat betekende het startsein voor radicale Hutu's om de gewapende strijd te beginnen. Zij geloofden niet meer in een compromis met de Tutsi's. Hun training kregen ze in Rwanda, toen nog bestuurd door het Hutu-regime van president Habyarimana. De Tutsi's zagen vorig jaar hoe in Rwanda hun stamgenoten massaal werden afgeslacht. Ze vormden milities en houden nu krampachtig vast aan hun macht die het leger hen garandeert.

Is de invoering van het meer-partijenstelsel de hoofdoorzaak van de aangewakkerde etnische tegenstellingen?. “Nee,” antwoordt Buyoya stellig. “Het is de manier waarop het systeem in de praktijk wordt gebracht. De Hutu's hebben het gebruikt om wraak te nemen op de Tutsi's.”

Na maanden van escalerend geweld van beide zijden blijkt de hoop op een vreedzame oplossing verdwenen. Het gezag van de coalitieregering is hevig geërodeerd, het staatsapparaat valt uiteen, angstige ambtenaren verschijnen niet meer op hun werk. De radicalen bepalen de ontwikkelingen in Burundi. Blijft over de mogelijkheid van een buitenlandse militaire interventie. “De roep om interventie is een emotionele en irrationele reactie,” oordeelt Buyoya. “De Hutu's van FRODEBU denken dat een interventie ál hun problemen zal oplossen. De Tutsi's denken dat zo'n ingrijpen tegen hen is gericht. Nee, een interventie zal als een katalysator voor een explosie werken, dan begint de burgeroorlog nog eerder.”