'Tête-à-tête tussen het individu en de globaliteit' Jean-Marie Guéhenno over de WEU en de natie-staat

JEAN-MARIE GUÉHENNO (45) is de Franse ambassadeur bij de Westeuropese Unie, de beoogde defensiepoot van de Europese Unie, en auteur van het veelbesproken boek Het einde van de democratie. “De wereld ontwikkelt zich in een soort moeras.”

BRUSSEL, 1 APRIL. In de rol van onheilsprofeet beschrijft Jean-Marie Guéhenno in Het einde van de democratie (1993) de toekomstige wereld als een keizerrijk: een gedecentraliseerd 'Rome' in het elektronisch tijdperk waarin netwerken domineren, grenzen vervagen en de politiek en instituties ten ondergaan. Maar als diplomaat is hij een krachtig pleitbezorger van de institutie waaraan hij als Frans ambassadeur verbonden is: de Westeuropese Unie (WEU).

“Als wij Europeanen echt een buitenlands beleid willen, moet dat gesteund worden door militaire middelen”, zegt Guéhenno in zijn werkkamer aan de Boulevard du Régent in Brussel. “Frankrijk gelooft ook in de transatlantische relatie en de beste manier om die te laten werken, is een sterke en evenwichtige Europese partner te vormen. We zien de WEU als de Europese pilaar van de NAVO. Wat ons nu bindt is een gemeenschappelijk gevoel dat we allemaal democratieën zijn en dat, als we niet goed samenwerken, de wereld gefragmenteerd zal worden en de problemen niet meer te beheersen zijn.”

De ideeënbus voor de Europese veiligheid raakt steeds meer gevuld. Uitbreiding van de NAVO naar het oosten, versterking van de WEU, een eigen Europese defensie-identiteit en een nieuw transatlantisch handvest zijn de voornaamste bouwstenen voor de “Europese veiligheidsarchitectuur”, die uit Parijs, Bonn en Londen (en afgelopen donderdag uit Den Haag) worden aangedragen. Volgend jaar moet de Europese Unie op de intergouvernementele conferentie beslissen over de toekomst van de EU en WEU.

Guéhenno, zoon van de schrijver Jean Guéhenno en voorheen cultureel attaché in New York en hoofd van de denktank van het Franse ministerie van buitenlandse zaken, is sinds 1993 ambassadeur bij de WEU.

Welke rol ziet u in de nabije toekomst weggelegd voor de WEU [die tien lidstaten telt]?

“De EU is de politieke motor van Europa. De WEU zou, als zij niet verbonden zou zijn met de EU, haar politieke dynamiek verliezen. Als onze landen hun defensie-inspanningen niet coördineren, zullen ze de crises waarmee we geconfronteerd worden, niet kunnen aanpakken. Wij voorzien dat de Verenigde Staten niet altijd meer betrokken willen raken en dan moeten we als Europeanen gezamenlijk kunnen optreden. We moeten een betere coördinatie in onze militaire planning krijgen en commandostructuren ontwikkelen. Door gebruik te maken van de vaardigheden en de capaciteit van de NAVO, via bijvoorbeeld de Combined Joint Task Forces die de WEU van de NAVO zou kunnen gebruiken.”

Er zijn veel diplomaten die menen dat er te veel gebrek aan politieke wil en eenheid èn aan middelen is om iets van de WEU te maken. Europa blijft afhankelijk van NAVO en dus de VS, waardoor de WEU uiterst klein zal blijven.

“Ik ben het daar niet mee eens. We hebben niet alle middelen, maar ze liggen niet buiten ons bereik. Als de Europese landen geen inspanningen leveren voor hun defensie en als de defensiebudgetten op een radicale manier blijven afnemen, gaan we geen wonder tot stand brengen. Dan blijft de WEU piepklein, ja. En dan zal de NAVO vervliegen, omdat er geen Europese component zal zijn.

“Politieke wil wordt niet opgebouwd door instituties, maar dat is een gemeenschappelijk versterkend proces. De gebeurtenissen dienen zich snel aan, maar het opbouwen van een institutie gaat noodzakelijkerwijs langzaam. Op dit moment gaapt er een gat tussen wat we willen bereiken en de instituties die dat moeten uitvoeren. Maar binnen de WEU groeit het aantal landen dat vindt dat er iets moet gebeuren. We hebben een erg moeilijke periode van recessie doorgemaakt. Na de excessieve hoop van 1989 is er nu de depressie van Joegoslavië. Maar als je naar de trend op lange termijn kijkt, is er een cyclische opwaartse ontwikkeling. Als de economie zich verbetert, zullen we de algemene stemming zien veranderen.”

Zal uw eigen regering de belastingbetalers om meer geld vragen voor de Europese defensie?

“Als alle landen in Europa relatief net zoveel geld zouden uitgeven aan defensie als Frankrijk, zouden we goed af zijn. Wij vinden het erg belangrijk om in Europa een eigen capaciteit voor inlichtingenwerk te hebben, via satellieten. De dreigingen van nu zijn veel moeilijker te omschrijven dan die uit het recente verleden, ze zijn van een grotere verscheidenheid, maar in ander opzicht weer beperkter van hun natuur. Dus moeten we interventiemachten hebben, luchttransportmogelijkheden - die Europa zeer mist - en een inlichtingennetwerk.

“Als het om een gezamenlijk Europees-Amerikaans belang gaat kunnen we profiteren van Amerikaanse inlichtingen. Met onze eigen intelligence-diensten kunnen we de voor ons noodzakelijke informatie verzamelen. We moeten duplicatie zoveel mogelijk voorkomen, maar sommige dingen moeten we zelf doen. We kunnen niet altijd op de NAVO blijven leunen.”

De WEU kan niets worden omdat er geen Europese buitenlandse politiek is, zoals blijkt in ex-Joegoslavië.

“Dat is een hard oordeel. Er is wel degelijk een begin. Toen vorig jaar het Eurokorps over de Champs Elysées paradeerde, vond de overgrote meerderheid van het Franse volk dat een goed idee: troepen van verschillende landen. Dat is een fundamentele verandering. De Amerikaanse regering heeft ontdekt dat het haar lange-termijnbelang is een sterk Europa te hebben. Het is een langzaam proces, en een mentale revolutie: maar ik geloof niet dat de Europeanen de onderlinge tegenstellingen tijdens de oorlog in Joegoslavië nog een keer willen herhalen. We moeten de dialoog met de VS meer structureren en als Europeanen onderling meer overleggen, zonder de Amerikanen met dictaten te confronteren. We wedijveren nog wel met elkaar en we hebben misschien niet allemaal dezelfde percepties, maar we hebben toch dezelfde belangen in Europa.”

Volgend jaar zitten tijdens de intergouvernementele conferentie vijftien natie-staten aan tafel voor een concept van Europa. In uw boek schrijft u dat de natie-staat achterhaald is en dat er geen Europese identiteit is.

Glimlachend: “Ik geloof niet dat er hier een contradictie is. De natie-staat verkeert in een veel moeilijker situatie dan in het verleden omdat die moet concurreren met vele actoren. Zoals ondernemingen en religieuze groeperingen. De menselijke samenleving organiseert zich op vele manieren en de klassieke natie-staat is slechts één weerspiegeling daarvan. De natie-staat zal niet plotseling van de ene op de andere dag verdwijnen. Ik signaleer een trend op lange termijn.

“Op het gebied van defensie is het van zeer groot belang of de Franse of de Nederlandse regering beslist of er soldaten naar risicogebieden worden gestuurd, en in die zin is het begrip natie-staat nog zeer relevant. Het leven van soldaten is nauw verbonden met nationale identiteit. Als we nadenken over de instituties die we willen opbouwen, moeten we rekening houden met de problemen die we zullen tegenkomen om de identiteit van de mensen te bewaren. Dat is het probleem voor Europa. Europa zal geen natie-staat of strakke entiteit zijn. De verschillende menselijke gemeenschappen in Europa zullen dat niet accepteren. Het idee van duidelijk afgebakende grenzen zou neerkomen op het nabootsen van de constructies van de natie-staat. Als WEU proberen we ook zeer flexibel te worden.”

Dus geen Verenigde Staten van Europa?

“Het Amerikaanse experiment is uniek. Maar de Europese geschiedenis ook. De diplomaten en de ministers die volgend jaar zullen mee-onderhandelen over deze zaken, zullen moeten beseffen dat ze bezig zijn politieke entiteiten uit te vinden die geen kopieën zullen zijn van politieke entiteiten van het verleden. De regeringen van de EU-lidstaten zijn het er al over eens dat we niet met z'n allen een klein democratisch eiland in Europa gaan construeren, los van de rest van Europa.

“Veel Europeanen zijn in verwarring omdat ze een gevoel van richting missen. De grote bedreiging in het keizerrijk wat ik beschrijf, is de kwestie hoe gemeenschappen zichzelf kunnen identificeren. De wereld ontwikkelt zich in een soort moeras, iets onbepaalds. We weten niet waar de grenzen liggen, waar de beperkingen van onze gemeenschappen liggen. Het is een soort tête-à-tête tussen het individu en de globaliteit. Dat is erg gevaarlijk en frustrerend. Mensen zien elk avond op televisie de wereld op zich afkomen. Ze kunnen er niets aan doen, voelen zich machteloos. Ze zijn verdeeld tussen het gevoel dat ze iets moeten doen en dat ze er niet over willen horen. Het is niet duidelijk of ze hun leven ervoor willen geven. Dan is het zinvol dat een groep landen instituties bouwt die zorgen voor dat gevoel van leiderschap en richting, wat iets anders is dan het scheppen van grenzen.”

Maar u schrijft ook dat het algemeen belang is opgeslokt door belangentegenstellingen.

“Er zijn nog wel gemeenschappelijke belangen maar het probleem van onze tegenwoordige instituties is dat het steeds moeilijker wordt om die belangen zichtbaar te maken. Er is een verwatering van besluitvorming door de complexiteit van onze wereld. Dit komt ook door de sterk toegenomen mobiliteit, waardoor vroegere geografische grenzen hun betekenis verliezen.

“Er is een kloof gegroeid tussen de natie in haar functionele rol en de natie als plaats van identiteit. In een groot aantal aspecten is de natie nog steeds zeer functioneel en in een aantal andere gebieden juist steeds minder. Dat roept een grote vraag op waarop ik het antwoord ook niet heb: hoe zullen zich in die contacten identiteiten ontwikkelen? Er zijn twee risico's: het eerste is dat men zijn identiteit verliest. En het andere is de reactie een identiteit te creëren ter wille van de identiteit, een kunstmatige identiteit. Je moet onderscheid maken tussen natie en natie-staat. Het zou tragisch zijn als een van onze naties het bewustzijn van identiteit zou verliezen.”

U voorspelt het einde van de instituties, maar u maakt er zelf deel van uit.

“In deze wereld hebben de instituties niet meer het monopolie. Zoals de diplomaten ook niet meer het monopolie hebben in de contacten tussen staten. Er zijn honderden, duizenden verbindingen. Mijn post bij de WEU is een interessante plek. Maar ik ben hier een muzikant in een orkest: een noot tussen veel andere.”