Liever vierendelen met woorden

Erik: “ 'Je ziet toch dat die jongen zwakker is dan jij', had ik tegen hem gezegd, 'als je zo nodig iemand in elkaar wilt slaan, sla mij dan maar in elkaar als je durft!'

Hij gaf me meteen een klap met de vlakke hand op mijn linkerwang. Ik keerde hem de andere wang toe terwijl ik hem strak aankeek. Ik zei: 'En nou graag hier nog eentje.' Hij deinsde prompt terug. Pas later las ik in de Bijbel: slaat iemand u op uw linkerwang, keer hem dan ook de rechter toe. Maar ik dacht wel, toen ik hem de andere wang toekeerde: als hij slaat geef ik hem toch een soejang!

Het is me te laag om te vechten. Ik vecht liever met woorden. Woorden zijn krachtiger dan vuisten. Maar je moet ze wel goed gebruiken. Helaas is het zo dat mensen die verbaal niet capabel zijn het meeste vechten, omdat ze zich niet goed kunnen uitdrukken. Een mooi verschil tussen man en vrouw. Vrouwen vechten nooit. Vrouwen doen alles met hun mond. Een vrouwentong is vaak zo scherp als een pas afgebroken stuk glas.

Bij mij wint altijd de rede. Woorden zijn het belangrijkst. Het is me m'n eer te na om te vechten. Eer heeft voor mij te maken met trots, het neigt zelfs een klein beetje naar arrogantie. Het is: op een nobele wijze iemand uit de brand helpen zonder dat je daar zelf voor op je schouders hoeft te worden geklopt.

Ik had als kind altijd het gevoel dat ik van oude adel was. Dat was me wijsgemaakt. En een edelman vecht niet met zijn mindere. Een mindere is iemand die verstandelijk gezien niet mijn gelijke is. Je vecht alleen met je gelijke. Ik ben nog nooit mijn gelijke tegengekomen in zo'n situatie. Wel mijn meerdere en mindere, maar niet mijn gelijke. Het is absoluut niet eervol om iemand van een ander niveau in elkaar te slaan. Ik laat mijn lichaam niet in elkaar slaan door zo'n imbeciel. Ik sabel hem liever neer met woorden.

Iedere man voelt op een gegeven moment aankomen dat hij moet vechten. Maar mij is dat nog nooit overkomen. Er stond tot nu toe gewoon nog niets op het spel, behalve de opwinding. Ik weet nooit wat mijn tegenstander zal doen. Als die mij op laffe wijze een trap in mijn kruis geeft, dan ben ik nergens meer. Zo iemand is laf, die durft het niet met zijn vuisten.

Er zijn een paar gevallen waarin het onontkoombaar is om te vechten: als een vrouw met wie ik ben wordt lastig gevallen; als ze me na de eerste wang ook nog op de andere wang slaan; als mijn eer wordt aangetast; als ze aan mijn vrienden komen; als ze vier of vijf keer achter elkaar zeggen: wat ben jij toch een ongelooflijke lafaard. Die mensen snij ik doormidden met m'n woorden, die vierendeel ik.

Er is nog een andere reden waarom ik niet vechten wil. Mijn handen zijn mijn goud. Ik ben kunstschilder. Ik moet er niet aan denken dat er iets met mijn handen gebeurt. Ze kunnen breken. Ik heb me altijd voorgenomen: ik moet voorzichtig zijn met mijn handen.''